De waarschuwing van visserijbioloog Dolf Boddeke die jarenlang werd genegeerd
Rypke Zeilmaker
Dag beste complotwappies, New Age adepten, die geloven in de genezende kracht van de cacaogeest, noem ze allemaal maar op. Oftewel de achterban van Weltschmertz. Welkom bij een nieuwe aflevering, dit keer van mijn boekenrubriek, waarin we een heel bijzonder onderwerp gaan behandelen. Namelijk de slagzin: het milieu op orde, lege borden. Oftewel: wanneer je maar doorgaat naar een schoon milieu en een klimaatveranderend klimaat, wat hou je dan over? Geen boeren meer, geen vissers meer. Een voedselarm water waar alleen nog maar van die biodiversiteit leeft. Oftewel ja, een beetje die opgepoetste naam voor onkruid en ongedierte. Maar er valt gewoon helemaal niets meer te eten.
Inspiratie daarvoor is deze week bij ons de visserijbioloog Dolf Boddeke, die een grote inspirator voor mij is geweest in de tijd dat ik mij op het Waddendossier ging storten. Omdat ik toen al zag hoe die ecomaffia, die groene Taliban, die groene leugen, zoals de vissers het noemen, maar blijft procederen en proberen de vissers het leven onmogelijk te maken op basis van een utopie.
Die utopie, daar gaan we het met jullie ook over hebben. Dat is met een moeilijk woord de naturalistische drogreden. In mijn eigen boek Liever dood dan slaaf, wat je hier ook nog steeds kan bestellen, leg ik uit wat die naturalistische drogreden is. Maar het komt er eigenlijk min of meer op neer dat natuurlijk, oftewel alles, alle cultuur verwijderen, en het natuurlijke dat overblijft, een soort hogere morele kwaliteit zou vertegenwoordigen. Alsof de natuur hetzelfde is als God.
Dat is een hele mond vol woorden. Daar gaan we zo nog wel even verder op in, want ik heb ook een nieuwe publicatie bij De Groene Rekenkamer die je op degroene-rekenkamer.nl kunt bekijken. En dat heeft ook gewoon met wetenschap te maken: een crime story. Dus hoe instituten rondom de mensen die zich met de Waddenzee bemoeien, met het natuurbeleid, het NIOZ op Texel bijvoorbeeld, maar ook de Rijksuniversiteit Groningen en natuurlijk Wageningen Research, de boel bedotten.
Door te zeggen dat vissers hebben veroorzaakt dat bepaalde groepen vogels achteruitgingen, hebben ze er eerst voor gezorgd dat er een Waddenfonds kon worden ingesteld. Daar konden zij tientallen miljoenen euroās uit de onderzoeksruif halen en honderden miljoenen euroās voor de natuurherstelindustrie.
En datzelfde trucje hebben ze op dit moment weer herhaald. Daar ga ik het met jullie ook over hebben. Het milieu op orde, lege borden. Oftewel de uitroeiing van de milieubeweging met wortel en tak is een nobel doel. Wij willen bereiken dat wij als Nederland weer meer uit onze natuur kunnen eten en dat we onze boerenstand en ons vissersbestand nog een beetje blijven houden, zodat we onszelf meer kunnen voorzien dan we in de toekomst gaan doen wanneer al die D66-plannen maar verder doorgaan.
De kern van het verhaal dat Rypke Zeilmaker vervolgens ontvouwt, begint bij een wetenschappelijke waarschuwing die volgens hem jarenlang onvoldoende serieus is genomen. Visserijbioloog Dolf Boddeke en zijn collega Paul Hagel, verbonden aan het toenmalige Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO), onderzochten de ontwikkelingen in de Noordzee en de Waddenzee. Hun bevindingen wezen op een opmerkelijk verband: de toenemende voedselrijkdom van het kustwater had een belangrijke bijdrage geleverd aan de groei van het mariene leven en daarmee ook aan de bloei van de Nederlandse visserij.
Vanaf ongeveer 1962 nam de aanvoer van fosfaten en stikstoffen vanuit landbouw, industrie en huishoudens via de Rijn toe. Ook was de samenstelling van wasmiddelen van invloed op de hoeveelheid voedingsstoffen die in het water terechtkwam. Daardoor steeg de primaire productie: algen en plankton kregen meer voedingsstoffen tot hun beschikking en konden zich sterker ontwikkelen. Dat had gevolgen voor de voedselketen. Meer algen betekenden meer voedsel voor dierlijk plankton. Dat plankton vormde vervolgens voedsel voor jonge vissen. Ook mosselen profiteerden van de grotere beschikbaarheid van algen. De effecten werkten door in verschillende schakels van het ecosysteem.
Volgens Boddeke en Hagel droeg deze ontwikkeling bij aan de sterke groei van de visbestanden in de Nederlandse kustwateren. Vooral in de jaren zeventig en begin jaren tachtig namen onder meer de kabeljauw- en platvisbestanden toe. De visserij profiteerde daarvan. De vloot groeide en de overheid stimuleerde die ontwikkeling mede door investeringsmogelijkheden voor vissers.
De Nederlandse visserij ontwikkelde zich daarmee tot een belangrijke economische bedrijfstak. Urk groeide uit tot een centrum van betekenis binnen de Europese visserijhandel. Wat ooit een relatief bescheiden sector was geweest, kreeg een omvang en economische betekenis die volgens Zeilmaker nauw samenhingen met de toenemende productiviteit van de kustwateren.
De omslag kwam volgens Zeilmaker toen het milieubeleid vanaf de jaren tachtig steeds sterker gericht raakte op het terugdringen van de hoeveelheid voedingsstoffen in het water. De bestrijding van vermesting werd een belangrijk beleidsdoel. Fosfaat moest worden teruggedrongen en ook de landbouw kreeg te maken met steeds strengere maatregelen.
Dat beleid had volgens hem op bepaalde terreinen een begrijpelijke achtergrond. Te grote hoeveelheden voedingsstoffen in afgesloten binnenwateren kunnen bijvoorbeeld leiden tot overmatige algengroei, stank en problemen met de waterkwaliteit. Het probleem ontstond volgens zijn betoog echter toen dezelfde zuiveringsgedachte zonder voldoende onderscheid werd toegepast op de kustwateren. Juist de voedingsstoffen die eerder hadden bijgedragen aan de groei van het mariene leven, werden steeds verder teruggedrongen. De kraan die de voedselrijkdom van de kustzone had gevoed, ging dicht.
Boddeke en Hagel voorzagen volgens Zeilmaker al vroeg wat daarvan de gevolgen konden zijn. Zij waarschuwden dat de afname van de voedselrijkdom niet alleen gevolgen zou hebben voor de visbestanden, maar ook voor schelpdieren en de vogels die daarvan afhankelijk zijn. In 1991 publiceerden zij hun verwachtingen in de wetenschappelijke literatuur. In 1993 brachten zij hun waarschuwing ook nadrukkelijker naar buiten. Hun boodschap was dat de Nederlandse visserij niet zonder gevolgen kon blijven wanneer de productiviteit van de kustwateren structureel zou afnemen. De ontwikkeling die zij voorzagen, zou volgens Zeilmaker later daadwerkelijk zichtbaar worden. Toch bleef hun verklaring omstreden.
Een centraal begrip in Zeilmakers analyse is de zogenoemde naturalistische drogreden. Daarmee bedoelt hij de gedachte dat een natuur zonder menselijke beĆÆnvloeding per definitie beter, gezonder of moreel waardevoller zou zijn. Volgens deze benadering wordt menselijke invloed al snel als een verstoring beschouwd, terwijl een situatie die als natuurlijk wordt aangemerkt automatisch een hogere waarde krijgt toegekend. Zeilmaker verzet zich tegen die gedachte. Menselijke activiteiten kunnen volgens hem namelijk ook bijdragen aan een grotere ecologische productiviteit.
De geschiedenis van de Waddenzee vormt in zijn betoog een belangrijk voorbeeld. De toegenomen aanvoer van voedingsstoffen had volgens de onderzoeken van Boddeke en Hagel bijgedragen aan de groei van algen, plankton, mosselen en vis. Het terugdringen van die voedingsstoffen had vervolgens gevolgen voor de voedselketen. Daarmee stelt Zeilmaker een fundamentele vraag bij het natuurbeleid: welk beeld van de natuur wordt eigenlijk nagestreefd? Een ecosysteem waarin menselijke invloed zo veel mogelijk wordt verwijderd, is niet automatisch een ecosysteem waarin alle soorten optimaal kunnen gedijen.
Ook de gedachte dat natuurherstel uitsluitend kan worden afgemeten aan het terugkeren van bepaalde soorten, vindt in zijn betoog kritiek. Wanneer de voedselbasis van een ecosysteem verandert, kunnen ook de aantallen dieren die daarvan afhankelijk zijn veranderen.
Een belangrijk onderdeel van de uitzending betreft een rapport uit 2025 van de Waddenacademie, waarin de toestand van de Waddenzee wordt beoordeeld aan de hand van verschillende indicatoren. Volgens Zeilmaker worden daarin uiteenlopende ontwikkelingen met elkaar vergeleken, waaronder aantallen vogels, schelpdieren en veranderingen in de zeespiegel. Daarbij wordt 1985 als belangrijk vergelijkingsjaar gebruikt.
Dat levert volgens hem een opmerkelijke tegenstelling op. Juist in de periode vóór en rond 1985 werd de Waddenzee door milieubewegingen als ernstig vervuild beschouwd. Na tientallen jaren van milieumaatregelen zou men op grond van de oorspronkelijke doelstellingen juist verbeteringen verwachten. Toch wordt in het rapport volgens Zeilmaker een negatiever beeld geschetst van de huidige toestand.
Hij ziet daarin een fundamenteel probleem met de manier waarop de natuurkwaliteit wordt beoordeeld. Wanneer de voedselrijkdom van het water structureel is afgenomen, kunnen bepaalde soorten die afhankelijk zijn van die voedselrijkdom eveneens achteruitgaan. Dat betekent niet automatisch dat de achteruitgang door visserij of andere menselijke gebruikers is veroorzaakt. Toch wordt volgens hem bij de beoordeling van de Waddenzee onvoldoende rekening gehouden met die verandering in de voedselbasis.
Een van de meest opvallende onderdelen van Zeilmakers verhaal betreft de ontwikkeling van de zeehondenpopulatie. Volgens de cijfers die hij in de uitzending aanhaalt, werden in 1985 ongeveer duizend gewone zeehonden in het Waddengebied geteld. Grijze zeehonden kwamen toen nog niet als gevestigde populatie voor. Inmiddels zouden er ongeveer zevenduizend gewone en achtduizend grijze zeehonden zijn.
Die sterke toename brengt volgens Zeilmaker een aanzienlijke voedselbehoefte met zich mee. Hij rekent zijn kijkers voor dat een zeehond dagelijks meerdere kiloās vis nodig heeft. Bij duizenden dieren loopt de totale consumptie daardoor op tot aanzienlijke hoeveelheden. Zijn kritiek richt zich op wat hij beschouwt als een tegenstrijdigheid in de natuurbescherming. Wanneer de visstand onder druk staat, wordt de visserij als belangrijke oorzaak aangewezen en wordt het beperken van menselijke activiteiten als oplossing gepresenteerd. De mogelijke invloed van de sterk gegroeide zeehondenpopulatie krijgt volgens hem daarentegen onvoldoende aandacht.
Hij stelt dat de huidige zeehondenbestanden volgens zijn berekening inmiddels meer vis consumeren dan de resterende vissersvloot in de Noordzee gezamenlijk vangt. Dat is een verstrekkende uitspraak. De berekening en de ecologische betekenis ervan verdienen een zorgvuldige toetsing. Maar de vraag die Zeilmaker ermee opwerpt, is duidelijk: waarom worden niet alle relevante factoren op dezelfde manier meegenomen wanneer de oorzaken van veranderingen in de visstand worden onderzocht?
De gevolgen van het natuurbeleid beperken zich volgens Zeilmaker niet tot de ecologische discussie. Hij wijst ook op de economische en maatschappelijke gevolgen voor de mensen die van de Waddenzee afhankelijk zijn. Terwijl de visserijvloot steeds verder kromp, bleef er volgens hem aanzienlijk geld beschikbaar voor natuurprojecten en opvangvoorzieningen. Als voorbeeld noemt hij de bouw van een nieuwe zeehondenopvang, waarvoor volgens zijn relaas vier miljoen euro beschikbaar werd gesteld, waaronder ƩƩn miljoen euro uit het Waddenfonds.
Daartegenover plaatst hij de moeilijke positie van vissers tijdens de sterke stijging van de gasolieprijzen in de coronaperiode. Volgens Zeilmaker was er toen onvoldoende steun om de sector door die moeilijke periode heen te helpen. Het gevolg was opnieuw een verdere afname van de vissersvloot. Hij ziet daarin een opvallende prioriteitenstelling: financiƫle middelen voor natuurvoorzieningen zijn wel beschikbaar, terwijl traditionele economische activiteiten steeds verder onder druk komen te staan.
Ook de aangekondigde beheerplannen van Rijkswaterstaat voor de Waddenzee passen volgens hem in die ontwikkeling. Hij verwijst naar bijeenkomsten op Texel en Schiermonnikoog in november, waar plannen zouden worden besproken om delen van het gebied verder af te sluiten. De vraag is volgens Zeilmaker wat er uiteindelijk overblijft van de traditionele gebruikers van het gebied wanneer steeds meer beperkingen worden opgelegd.
De titel van zijn uitzending vat zijn kritiek samen: het milieu op orde, lege borden. Volgens Zeilmaker is het terugdringen van iedere menselijke invloed geen garantie voor een rijkere natuur. Wanneer de voedselrijkdom van het water afneemt, kan ook de productie van algen, plankton en schelpdieren teruglopen. De gevolgen daarvan werken door in de voedselketen en kunnen uiteindelijk ook de visserij raken.
Hij verbindt die ontwikkeling aan een bredere kritiek op de manier waarop natuurorganisaties, onderzoeksinstituten en beleidsmakers hun doelstellingen formuleren. Wanneer natuurbeleid wordt gebaseerd op een ideaalbeeld waarin menselijke aanwezigheid vooral als verstoring geldt, bestaat volgens hem het gevaar dat economische en ecologische gevolgen onvoldoende tegen elkaar worden afgewogen.
Daarbij stelt hij ook vragen over de financiƫle belangen die rond natuuronderzoek en natuurherstel zijn ontstaan. Wanneer organisaties afhankelijk zijn van subsidies en onderzoeksbudgetten, kan het volgens hem problematisch worden wanneer natuurdoelen nooit werkelijk als bereikt worden beschouwd.
Het resultaat is volgens zijn analyse een beleid waarin de problemen blijven bestaan, terwijl de maatregelen steeds verder worden uitgebreid. Aan het einde van zijn uitzending keert Zeilmaker terug naar de visserijbioloog die de aanleiding vormde voor zijn verhaal. Dolf Boddeke en zijn collega Paul Hagel waarschuwden al in de jaren negentig voor de mogelijke gevolgen van een afnemende voedselrijkdom in de Noordzee en de Waddenzee.
Hun voorspelling vormt volgens Zeilmaker een belangrijke sleutel om de huidige ontwikkelingen te begrijpen. Niet iedere verandering in de natuur kan worden verklaard door menselijke activiteiten zoals visserij. Ook veranderingen in de beschikbaarheid van voedingsstoffen en de samenstelling van de voedselketen spelen een rol.
Hij pleit daarom voor een hernieuwde discussie over de uitgangspunten van het natuurbeleid. Daarbij noemt hij zelfs de mogelijkheid om opnieuw te experimenteren met fosfaattoevoeging aan de Waddenzee. Hij verwijst naar ervaringen uit de mosselkweek, waarbij volgens hem extra fosfaat tot twintig procent meer mosselgroei kan leiden.
Zoān experiment zou volgens hem een manier kunnen zijn om de theorie van Boddeke en Hagel verder te onderzoeken. De bredere boodschap van Zeilmaker is dat natuurbeleid niet mag worden verward met een ideologisch ideaalbeeld. Een natuur die op papier steeds schoner wordt, levert niet noodzakelijk meer voedsel op en biedt niet vanzelfsprekend meer ruimte aan alle soorten.
De Nederlandse visserij, de boerenstand en de voedselvoorziening zijn volgens hem onlosmakelijk verbonden met de vraag hoe we met onze natuurlijke omgeving omgaan. Een schoon milieu is een waardevol doel. Maar wanneer de strijd om dat ideaal eindigt met minder vis, minder vissers en steeds duurdere voeding, dringt zich een ongemakkelijke vraag op: hebben we de natuur werkelijk geholpen, of zijn we onderweg vergeten waarvoor we haar eigenlijk wilden beschermen?ā
Bron: CafƩ Weltschmerz Podcast
