Wat begint als het verhaal van een moeder die vragen stelt over vaccinaties, groeit uit tot een relaas over maatschappelijke uitsluiting, politieke druk, censuur, reputatieschade en een strijd die volgens Door Frankema uiteindelijk veel groter werd dan vaccins alleen. In aflevering 279 van de YouTube-reportage van Jorn Luka, gepresenteerd door Jorn Luka, kijkt de oprichter van Stichting Vaccinvrij terug op meer dan twintig jaar betrokkenheid bij het vaccinatievraagstuk en de gebeurtenissen die volgens haar leidden tot de ondergang van een van de grootste kritische oudergemeenschappen van Nederland.
Frankema vertelt hoe zij na de coronaperiode bewust terugkeerde naar het onderwerp dat zij haar eigen expertise noemt: het Rijksvaccinatieprogramma. Volgens haar was COVID-19 niet het begin van haar strijd, maar eerder een herhaling van patronen die zij jaren daarvoor al had gezien. Terwijl veel mensen haar vooral kennen vanwege haar rol tijdens discussies over vaccinaties, zegt zij dat haar betrokkenheid teruggaat tot de geboorte van haar dochter, inmiddels 28 jaar geleden. In die periode begon zij zich te verdiepen in vaccinaties, veiligheid, effectiviteit en de manier waarop ouders worden geïnformeerd.
Volgens Frankema was het destijds vrijwel vanzelfsprekend dat ouders hun kinderen lieten vaccineren. Artsen adviseerden het, familieleden gingen ervan uit en de samenleving beschouwde deelname aan het programma als normaal. Toch besloot zij een andere keuze te maken. Zij zegt dat zij al vroeg merkte dat de vrijheid om af te wijken van de maatschappelijke norm in de praktijk beperkt was. Mensen die afweken van het dominante verhaal kregen volgens haar vaak te maken met kritiek, veroordeling en sociale druk.
Jaren later richtte zij Vaccinvrij op. Wat begon als een platform voor ouders die bewust afzagen van vaccinatie, groeide volgens haar in korte tijd uit tot een grote gemeenschap. Op Facebook ontstond een groep die uiteindelijk ongeveer 30.000 leden telde. Op een geboortecijfer van ongeveer 180.000 kinderen per jaar zag Frankema dat als een aanzienlijk bereik onder jonge ouders. De groep groeide snel en kende volgens haar aanvankelijk een positieve sfeer waarin informatie werd gedeeld en ervaringen werden uitgewisseld.
Wat haar daarbij verraste, was de samenstelling van de gemeenschap. Zij had verwacht vooral ouders te ontmoeten die bewust niet wilden vaccineren. In plaats daarvan zag zij volgens eigen zeggen een grote toestroom van ouders die hun kinderen wel hadden laten vaccineren maar die vervolgens gezondheidsproblemen rapporteerden die zij met vaccinaties in verband brachten. De groep bestond volgens haar uit mensen die nooit vaccineerden, mensen die nog vaccineerden en mensen die daarmee waren gestopt nadat zij negatieve ervaringen hadden meegemaakt.
De snelle groei van de gemeenschap leidde volgens Frankema ook tot een groeiend bewustzijn onder ouders. Er werden onderzoeken gedeeld, artikelen besproken en ervaringen uitgewisseld. Volgens haar ontstond daardoor een proces waarbij steeds meer ouders kritische vragen gingen stellen. Tegelijkertijd zag zij in de media een nieuw beeld ontstaan. Er werd steeds vaker gesproken over “antivaxxers”. Frankema zegt dat zij en haar achterban zich daarin herkenden, hoewel zij zichzelf nooit op die manier hadden omschreven.
Volgens haar werd een diverse groep mensen onder één label geplaatst. Ouders die nooit hadden gevaccineerd, ouders die twijfelden en ouders die naar eigen zeggen vaccinatieschade hadden meegemaakt, werden volgens haar allemaal samengevoegd tot één categorie. In de berichtgeving werd die groep vervolgens gekoppeld aan de mogelijke terugkeer van infectieziekten. Daardoor ontstond volgens Frankema een klimaat waarin mensen bang werden om hun mening uit te spreken. Ouders vertelden haar dat zij hun keuze vaak verborgen hielden uit angst om als gevaar voor de volksgezondheid te worden gezien.
In haar terugblik noemt Frankema de komst van staatssecretaris Paul Blokhuis een belangrijk kantelpunt. Volgens haar ontstond rond die periode meer politieke aandacht voor dalende vaccinatiecijfers en voor wat werd omschreven als desinformatie. Zij stelt dat haar organisatie daarbij expliciet in beeld kwam als voorbeeld van een problematische invloed. Volgens Frankema werd vanuit Europese initiatieven steeds nadrukkelijker gestuurd op het bestrijden van kritische geluiden rondom vaccinaties. Dat maakte de situatie volgens haar aanzienlijk grimmiger dan daarvoor.
Waar de Facebookgroep aanvankelijk een hechte gemeenschap vormde, zag zij volgens eigen zeggen steeds vaker verstoringen optreden. Trollen zouden discussies zijn binnengekomen, leden tegen elkaar hebben opgezet en de sfeer hebben veranderd. Tegelijkertijd werden er volgens haar politieke bijeenkomsten georganiseerd waarin over de groep werd gesproken zonder dat vertegenwoordigers van de groep zelf welkom waren. Frankema vertelt dat zij meermaals vroeg om aanwezig te mogen zijn bij gesprekken waarin het onderwerp werd besproken, maar dat die verzoeken werden afgewezen.
Volgens Door Frankema gold dat niet alleen voor politieke bijeenkomsten. Ook bij nascholingsdagen voor artsen, zo vertelt zij, werd gesproken over de manier waarop professionals moesten omgaan met ouders die twijfelden aan vaccinaties. Frankema zegt dat zij nooit de gelegenheid kreeg om zelf het perspectief van die ouders toe te lichten. In haar ogen werd er voortdurend over de groep gesproken, maar nooit met de groep.
Een belangrijk thema in haar verhaal is de ervaring van uitsluiting. Volgens Frankema werd zij steeds vaker geweerd uit publieke discussies. Zij zegt dat media haar niet wilden uitnodigen, dat zij geen toegang kreeg tot officiële gesprekken en dat haar standpunten structureel werden genegeerd. Wanneer zij vroeg om een korte toelichting op de redenen waarom ouders twijfelden, kreeg zij volgens eigen zeggen nul op het rekest.
De persoonlijke gevolgen daarvan beschrijft zij uitvoerig. Frankema vertelt dat zij zich op een gegeven moment geïntimideerd voelde. Wanneer zij lezingen gaf, was zij naar eigen zeggen soms bang om naar huis te rijden omdat er geregeld iemand dicht achter haar auto bleef rijden. Zij ervoer dat als een vorm van intimidatie. Met een gezin thuis en voortdurende betrokkenheid bij ouders die hun ervaringen deelden, noemt zij die periode bijzonder zwaar.
Volgens Door Frankema was de gemeenschap voor veel ouders aanvankelijk een warm bad. Ouders die zich niet gehoord voelden bij instanties vonden daar mensen met vergelijkbare ervaringen. Later veranderde dat volgens haar door toenemende druk, censuurmaatregelen en de opkomst van zogenoemde shadowbans. Zij benadrukt dat dit allemaal gebeurde ruim voordat COVID-19 zijn intrede deed.
Een belangrijk onderdeel van haar verhaal draait om ouders die volgens haar melding maakten van vaccinatieschade. In de groep werden volgens Frankema regelmatig verhalen gedeeld van kinderen die na vaccinaties ernstige gezondheidsproblemen ontwikkelden. Zij verwijst naar neurologische aandoeningen, epilepsie, problemen met het immuunsysteem, allergieën, auto-immuunziekten, voedselintoleranties, eczeem en andere chronische klachten. Volgens haar herkenden veel ouders dezelfde patronen.
In dat verband verwijst Frankema naar een Amerikaans onderzoek dat volgens haar uitwees dat 57 procent van de gevaccineerde kinderen binnen tien jaar een chronische aandoening ontwikkelt. Zij noemt dit onderzoek een bevestiging van de ervaringen die binnen haar gemeenschap werden gedeeld. Volgens haar zagen ouders dat ongevaccineerde kinderen minder vaak met dergelijke problemen te maken kregen.
De zichtbaarheid van deze ervaringen maakte de gemeenschap volgens Frankema tot een bedreiging voor bestaande instituties. Zij stelt dat Vaccinvrij daarom doelwit werd van een campagne die uiteindelijk leidde tot de vernietiging van de gemeenschap. De onderlinge verbinding werd volgens haar verbroken, de groep viel uiteen en haar organisatie verloor haar positie. Tegen de tijd dat COVID-19 verscheen, voelde zij zich naar eigen zeggen al zwaar beschadigd door de voorafgaande jaren.
Een ander centraal onderdeel van haar verhaal betreft de zoektocht naar wetenschappelijke onderbouwing. Frankema zegt dat zij jarenlang heeft geprobeerd bewijs te verkrijgen voor de veiligheid en effectiviteit van vaccinaties. Zij bezocht onder meer het RIVM en andere instanties en vroeg om de onderzoeken waarop officiële uitspraken gebaseerd waren. Volgens haar kreeg zij die informatie niet te zien.
Zij beschrijft gesprekken waarbij meerdere vertegenwoordigers van instanties aanwezig waren. Wanneer zij vroeg naar specifieke onderzoeken, bleef het volgens haar vaak stil. Niemand kon de gevraagde documenten tonen. Dat leidde uiteindelijk tot een Wob-verzoek. Volgens Frankema duurde het twee jaar voordat zij antwoord kreeg. Toen dat antwoord uiteindelijk kwam, stond daarin volgens haar dat de gevraagde wetenschappelijke onderzoeken niet konden worden overgelegd.
Voor Frankema vormde dat een belangrijk moment. Zij zegt dat ouders volgens de regels van informed consent recht hebben op volledige informatie over zowel voordelen als nadelen. Volgens haar gebeurt dat niet. Ouders zouden uitsluitend gewezen worden op de gevaren van ziekten, terwijl mogelijke risico’s van vaccins volgens haar niet worden besproken. Daardoor ontstaat volgens haar geen evenwichtige informatievoorziening.
Ook de taal die op websites van gezondheidsinstanties wordt gebruikt, kreeg volgens haar aandacht. Frankema noemt voorbeelden van formuleringen waarin wordt gesteld dat een gevaccineerd kind alsnog ziek kan worden, maar dat de ziekte meestal minder ernstig verloopt. Volgens haar zijn dergelijke uitspraken onvoldoende onderbouwd en leveren vragen daarover vaak geen duidelijke antwoorden op.
Tijdens haar bezoeken aan instanties ervoer zij naar eigen zeggen een groot verschil tussen de open houding die werd uitgestraald en de inhoudelijke antwoorden die werden gegeven. Zij beschrijft gesprekken waarin vriendelijk werd gesproken over samenwerking, terwijl fundamentele vragen onbeantwoord bleven. Die ervaring versterkte volgens haar het wantrouwen.
Frankema stelt dat het RIVM onderdeel is van een internationaal netwerk dat bepaalt welke informatie als betrouwbaar wordt beschouwd. Daardoor ontstaat volgens haar een systeem waarin steeds dezelfde boodschap wordt herhaald: vaccins zijn veilig en effectief. Zij ziet daarin een vorm van narratiefcontrole waarbij afwijkende informatie weinig kans krijgt om door te dringen tot het publiek.
In haar verhaal speelt reputatieschade een grote rol. Zij zegt meerdere keren brieven te hebben gestuurd aan Paul Blokhuis met de vraag welke informatie op haar website of in haar boek onjuist zou zijn. Volgens haar kreeg zij daarop geen inhoudelijke reactie, terwijl zij tegelijkertijd in de media werd neergezet als verspreider van desinformatie. Dat ervoer zij als bijzonder schadelijk.
Naast politieke druk noemt zij ook een denktank die volgens haar door Blokhuis werd opgericht. Daarin zouden vertegenwoordigers van farmaceutische bedrijven, beleidsmakers en andere betrokken partijen hebben gezeten. Frankema wilde naar eigen zeggen deelnemen aan deze bijeenkomsten om het perspectief van haar achterban te vertegenwoordigen, maar werd niet toegelaten. Ook verzoeken om notulen in te zien leverden volgens haar niets op.
Tijdens de coronaperiode zag zij dezelfde mechanismen terugkeren. Labels, censuur, reputatieschade en het verwijderen van kritische stemmen kwamen volgens haar opnieuw naar voren. Waar eerder de term “antivaxxer” werd gebruikt, zag zij tijdens COVID-19 andere etiketten verschijnen die volgens haar opnieuw dienden om groepen mensen buiten het debat te plaatsen.
Volgens Frankema werd haar Facebookgroep uiteindelijk verwijderd en verdween haar boek van de markt. Dat gebeurde volgens haar rond 2021, in dezelfde periode waarin de coronavaccinatiecampagnes begonnen. Zij stelt dat de bestaande gemeenschap van kritische ouders een te grote rol had kunnen spelen in het publieke debat rond de nieuwe vaccins en daarom moest verdwijnen.
Een groot deel van het gesprek gaat vervolgens over HPV-vaccinaties. Frankema bespreekt de aanwezigheid van aluminium in vaccins, de manier waarop campagnes worden gevoerd en de rol van farmaceutische bedrijven. Volgens haar richten grote campagnes zich vooral op het benadrukken van gevaren, terwijl risico’s van vaccins nauwelijks aan bod komen. Zij beschrijft uitgebreide reclamecampagnes die volgens haar zijn ontworpen om zoveel mogelijk deelname te realiseren.
Daarna verschuift het gesprek naar de geschiedenis. Frankema beschrijft uitvoerig de leefomstandigheden in de negentiende eeuw. Zij schetst een beeld van overvolle steden, gebrek aan sanitaire voorzieningen, vervuild drinkwater, extreme armoede, kinderarbeid en slechte voeding. Volgens haar leefden veel gezinnen onder omstandigheden die ziekte vrijwel onvermijdelijk maakten.
Mensen woonden met grote aantallen in kleine ruimtes, hadden geen verwarming, geen toiletten en geen toegang tot schoon drinkwater. Afval en ontlasting kwamen terecht in straten, grachten en grondwater. Tegelijkertijd bestonden er nauwelijks sociale wetten die arbeiders beschermden. Kinderen werkten lange dagen in fabrieken en gezinnen leefden vaak op het randje van honger. Volgens Frankema vormden deze omstandigheden een cruciale factor bij de hoge sterftecijfers uit die periode.
Zij verwijst naar sociale hervormers, schrijvers en activisten die aandacht vroegen voor de leefomstandigheden van arbeiders. Namen als Aletta Jacobs en Multatuli passeren daarbij de revue. Volgens Frankema kwamen verbeteringen in volksgezondheid voort uit sociale vooruitgang, betere hygiëne, schoon drinkwater, woningbouw en arbeidsbescherming. Toen die omstandigheden verbeterden, zag men volgens haar ook een sterke daling van ziekte en sterfte.
Het gesprek eindigt met een bredere blik op de wereld. Frankema noemt cijfers over ondervoeding, gebrek aan schoon drinkwater, oorlog, kinderarbeid en vluchtelingenkinderen. Volgens haar leven miljoenen kinderen wereldwijd nog altijd onder omstandigheden die ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Zij stelt dat deze problemen veel meer aandacht verdienen dan vaccinatiecampagnes alleen.
Door het hele interview loopt één rode draad. Voor Frankema draait de discussie uiteindelijk niet uitsluitend om vaccins. In haar visie gaat het om informatie, macht, reputatie, framing, censuur en de ruimte voor afwijkende opvattingen binnen een democratische samenleving. Van de opkomst van Vaccinvrij tot de verwijdering van haar gemeenschap, van Wob-verzoeken tot discussies met instanties en van historische volksgezondheid tot de coronaperiode: zij beschrijft het als één doorlopend verhaal over de strijd om gehoord te worden. Volgens haar begon die strijd lang voor COVID-19 en is zij vandaag de dag nog altijd niet voorbij.■ Bron: Jorn Luka, YouTube.
