De Nederlandse onderwijscrisis wordt al jaren beschreven, besproken en geanalyseerd, maar volgens Martin Sommer en Ton van Haperen verandert er fundamenteel niets. In de YouTube rapportage van De nieuwe Wereld gepresenteerd door Martin Sommer staat één centrale conclusie steeds opnieuw centraal: kinderen leren steeds minder op school, terwijl de bestuurlijke en bureaucratische laag rondom het onderwijs juist steeds verder groeit. De jaarlijkse presentatie van “De Staat van het Onderwijs 2026” door de Onderwijsinspectie laat opnieuw dezelfde problemen zien, maar volgens Van Haperen blijft het vooral bij constateren, rapporteren en netwerkbijeenkomsten zonder daadwerkelijke ingrepen.
Sommer opent het gesprek met de constatering dat Nederland opnieuw in de week zit waarin de Onderwijsinspectie haar jaarrapport presenteert. “De Staat van het Onderwijs 2026” is opnieuw een rapport vol waarschuwingen over dalende prestaties en afnemende basisvaardigheden. Van Haperen reageert direct met ergernis over wat hij de jaarlijkse folklore noemt. Elk jaar wordt hetzelfde rapport met veel theater gepresenteerd, terwijl de boodschap al jaren onveranderd blijft. Hij verwijst naar eerdere columns waarin hij inspecteur-generaal Alida Oppers opriep om niet alleen te constateren, maar daadwerkelijk iets te doen.
Volgens Van Haperen bevestigen onderzoeken zoals PISA* en andere internationale metingen telkens opnieuw hetzelfde beeld: kinderen leren steeds minder op school. Daardoor wordt het belang van informeel leren thuis steeds groter. Wie thuis veel meekrijgt, heeft een voordeel; wie dat niet heeft, raakt verder achterop. Hij beschrijft dit als een situatie waarin onderwijs opnieuw de klassenverhoudingen reproduceert, vergelijkbaar met de negentiende eeuw. De school corrigeert ongelijkheid minder en versterkt die juist vaker.
*PISA (Programme for International Student Assessment) is een wereldwijd onderzoek van de OESO dat de vaardigheden van 15-jarige leerlingen meet op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen.
Een korte opleving zag hij tijdens de periode van minister Dennis Wiersma. Volgens Van Haperen was dat een zeldzaam moment waarop iemand op nationaal niveau zei dat het zo niet langer kon. Wiersma wilde ingrijpen, maar volgens hem bleef de overheid uiteindelijk vooral geld over de muur gooien met de boodschap dat scholen maar aan basisvaardigheden moesten werken. Zonder duidelijke sturing gebeurde er volgens hem weinig.
Wat hem vooral schokte in het nieuwe rapport was de situatie in het voortgezet onderwijs. Daar lijkt volgens hem niet alleen stilstand plaats te vinden, maar zelfs achteruitgang. Kinderen lijken vaardigheden af te leren. Hij verwijst naar eerder onderzoek waaruit bleek dat leerlingen in groep 8 werkwoorden beter konden vervoegen dan dezelfde leerlingen enkele jaren later in de derde klas van het voortgezet onderwijs, ongeacht of dat vmbo of gymnasium was. Het probleem is volgens hem niet alleen dat het niveau laag is, maar dat kennis daadwerkelijk verdwijnt.
Daarmee komt het gesprek bij de vraag wat de Onderwijsinspectie eigenlijk doet. Sommer merkt op dat zelfs uit de inleiding van het rapport blijkt dat daar strijd over bestaat. De inspectie richtte zich jarenlang vooral op besturen en niet op de klas zelf. Volgens Van Haperen is dat het gevolg van de bestuurlijke verzelfstandiging sinds 1996 en de invoering van de lumpsum. Schoolbesturen werden probleemeigenaar en dus ook de partij waarop toezicht zich richtte.
Dat leidde volgens hem tot een kafkaëske situatie* waarin inspecteurs vooral administratief met bestuurders spraken over doorstroomcijfers, examencijfers en financiën, terwijl het daadwerkelijke leren in de klas plaatsvindt. De Kamer greep uiteindelijk in via de motie-Kwint/Peters, waarmee werd afgedwongen dat inspectie weer daadwerkelijk de klas in moest.
Een kafkaëske situatie* is een angstaanjagende, absurde toestand waarin je verstrikt raakt in ondoorgrondelijke regels en bureaucreatie zonder dat je er grip op krijgt.
*Een kafkaëske situatie is een angstaanjagende, absurde toestand waarin je verstrikt raakt in ondoorgrondelijke regels en bureaucreatie zonder dat je er grip op krijgt.
Van Haperen herinnert zich hoe dat vroeger vanzelfsprekend was. Zijn vader was rector, en wanneer de inspecteur het schoolplein opreed, sloeg de spanning toe. Inspecteurs controleerden zelfs of de tafeltjes bij examens goed stonden. Die directe controle verdween na de verzelfstandiging grotendeels. Nu is men weer teruggekeerd naar klassikale inspectie, maar volgens hem gebeurt dat aarzelend.
Het probleem voor inspecteurs is volgens hem dat scholen inmiddels enorm verschillend georganiseerd zijn. Hij geeft als voorbeeld zijn eigen economielessen: traditionele vaklessen van vijftig minuten met een vakdocent tegenover scholen die kiezen voor één les van tachtig minuten en vervolgens zelfstandig werken op leerpleinen. Volgens hem is het vrijwel onmogelijk om die twee systemen eerlijk te vergelijken. De inspectie durft bovendien niet hard uit te spreken dat het ene systeem slechter werkt dan het andere, omdat dat zou ingrijpen in de vrijheid van inrichting van onderwijs.
Volgens Van Haperen werkt traditioneel onderwijs aantoonbaar beter. Hij stelt dat zijn leerlingen betere examenresultaten halen dan collega’s die werken met leerpleinen en langere zelfstandige blokken. Toch blijft de discussie steken in de vraag wat “kwaliteit” precies is. De school met leerpleinen zegt autonome leerlingen af te leveren; hij zegt leerlingen af te leveren die inhoudelijk meer weten en daardoor makkelijker vervolgstudies aankunnen.
Daarmee komt het gesprek bij kerndoelen en eindtermen. Voor de onderbouw bestaan kerndoelen, voor de bovenbouw eindtermen die terugkomen in het centraal examen. Dat examen vormt volgens hem uiteindelijk het harde criterium. Hij wijst op zijn eigen percentielscores die structureel tussen de 90 en 100 liggen, waarmee zijn school bij de beste tien procent van Nederland hoort. Toch wordt slechte examenprestatie vaak weggeredeneerd met de stelling dat onderwijs meer is dan cijfers.
De inspectie kijkt volgens Van Haperen wel degelijk naar examencijfers, doorstroom en basisschooladvies, maar veel scholen worden simpelweg te weinig bezocht. Oorspronkelijk was de norm één inspectie per vier jaar, maar in praktijk werd zelfs één keer in vijf jaar vaak niet gehaald. Er waren scholen waar jarenlang niemand langskwam.
De focus van de inspectie ligt nu sterk op basisvaardigheden en burgerschap. Dat leidt volgens Van Haperen tot vreemde situaties. In 2024 kreeg negentig procent van de scholen een herstelopdracht, vaak rondom burgerschap. Scholen reageren daarop volgens een vast patroon: ze stellen een coördinator basisvaardigheden of burgerschap aan, meestal een docent die wordt vrijgesteld van lessen.
Die coördinator inventariseert vervolgens waar burgerschap of basisvaardigheden in de school aan bod komen, schrijft dat op en presenteert het aan de inspectie. Op papier klopt alles dan weer. Volgens Van Haperen leert geen enkel kind daar meer van. Hij noemt dit “sovjetisering”*: een bureaucratische papieren werkelijkheid die niets verandert aan wat er werkelijk in de klas gebeurt.
*Sovjetisering verwijst naar een proces waarbij een samenleving of organisatie volledig wordt omgevormd naar het model van de voormalige Sovjet-Unie.
De kern van het probleem is volgens Van Haperen veel eenvoudiger en tegelijk veel ongemakkelijker: er wordt vaak gewoon slecht lesgegeven. Hij zegt dat dit bijna niet hardop gezegd mag worden, maar dat het wel de realiteit is. Soms staat er volgens hem simpelweg een volwassene in een lokaal die met kinderen verkeert zonder ze daadwerkelijk iets te leren.
Daarbij is de rol van de leraar cruciaal. Een goede docent staat boven de stof, beheerst zijn vakinhoud en kan die effectief overbrengen. Volgens hem is dat de essentie van onderwijs. Toch is het systeem steeds verder verschoven richting coachend begeleiden, autonomie en zelfsturing, mede onder invloed van onderwijsbegeleidingsdiensten en vernieuwingsdenken.
Ook de lumpsum* speelt hierin volgens hem een grote rol. Schoolbesturen krijgen geld en mogen grotendeels zelf bepalen hoe dat wordt ingezet. Wanneer er financiële problemen ontstaan, wordt er vrijwel altijd bezuinigd op lestijd en docenten. Vijftig minuten worden vijfenveertig minuten, lessen verdwijnen, flexroosters verschijnen en leerlingen moeten meer zelfstandig doen.
*Een lumpsum is een groot bedrag dat in één keer wordt uitgekeerd of toegekend, in plaats van in termijnen of via specifieke labels.
Volgens Van Haperen leidt dit tot minder onderwijs tegen lagere kwaliteit. Bovendien ontstaat binnen scholen een cultuur waarin niet-lesgevende functies meer status hebben dan lesgeven zelf. Goede docenten verdwijnen richting coördinatie, management of beleidsfuncties. De beste mensen verlaten daarmee juist het klaslokaal.
Internationaal ziet hij vergelijkbare problemen, maar Nederland gaat volgens hem sneller achteruit. In Vlaanderen ziet hij tenminste een minister die hard ingrijpt. Daar worden minimumdoelen vastgesteld en wordt duidelijk uitgesproken dat kinderen harder moeten werken en programma’s helderder moeten worden. In Nederland ontbreekt die nationale correctie.
Hij wijst op de absurditeit van het debat over prestatiedruk. Wie daadwerkelijk een school binnenloopt, ziet volgens hem vaak juist weinig druk. Leerlingen zitten op banken, vaak met pet op, zonder duidelijke activiteit. Tegelijk blijkt uit PISA* dat 33 procent van de vijftienjarigen functioneel laaggeletterd is. Een jaar later slaagt 95 procent voor het examen. Volgens hem klopt daar fundamenteel iets niet.
*PISA (Programme for International Student Assessment) is een wereldwijd onderzoek van de OESO dat de vaardigheden van 15-jarige leerlingen meet op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen.
De gezamenlijke kennisbasis van de samenleving wordt daardoor dunner. Mensen verstaan elkaar slechter, de economische verdiencapaciteit neemt af en technische opleidingen merken dat het niveau daalt. Onderzoek laat zien dat examens in vakken als wiskunde en natuurkunde op vwo-niveau eenvoudiger zijn geworden dan 25 jaar geleden.
Daarnaast is het volgens Van Haperen sociaal onrechtvaardig. Kinderen die thuis minder meekrijgen, worden harder geraakt. Zij moeten het systeem zelf uitvinden en vallen vaker uit, bijvoorbeeld op het mbo waar de uitval groot blijft. Dat maakt het onderwijsprobleem volgens hem tot een breed maatschappelijk probleem.
Ook burgerschapsonderwijs ziet hij als een containerbegrip. Geschiedenis, staatsinrichting en kennis van instituties zijn volgens hem belangrijk, maar het woord burgerschap* is zo vaag geworden dat iedereen er iets anders onder verstaat. Daardoor ontstaat opnieuw bureaucratie en machtspolitiek in plaats van helder onderwijs.
*Burgerschap is de manier waarop mensen deelnemen aan de samenleving en helpen deze leefbaar te houden. Het gaat over de relatie tussen een individu en de gemeenschap.
Ton van Haperen beschrijft hoe directe instructie; uitleggen, voordoen, samen oefenen, controleren en daarna zelfstandig toepassen, voor veel leraren zelfs een onbekend begrip is geworden. Tijdens lezingen merkt hij dat een groot deel van de docenten niet eens weet wat directe instructie inhoudt. Dat ziet hij als bewijs dat vakdidactische professionaliteit onvoldoende aanwezig is.
Er is volgens hem bovendien een taboe ontstaan rond het benoemen van slechte leraren en slechte schoolbesturen. Iedereen spreekt liever over passie, inzet en hard werken. Maar als de resultaten zo slecht zijn, vindt hij dat confrontatie nodig is in plaats van complimenten.
Het gesprek gaat vervolgens naar eerdere ministers. Ronald Plasterk noemt hij een van de weinige goede ministers, omdat die tijdens de kredietcrisis ondanks grote financiële druk een miljard extra per jaar wilde vrijmaken voor de kwaliteit van leraren. Maar door de bestuursstructuur verdween dat geld in de grote pot en werd de oorspronkelijke bedoeling uitgehold.
Dennis Wiersma probeerde later opnieuw in te grijpen. Hij durfde het probleem van slecht leren op school expliciet te benoemen. Hij wilde dat de inspectie meer zwakke scholen aanwees en harder ingreep. Dat leidde volgens Van Haperen tot een conflict met inspecteur-generaal Alida Oppers, die vasthield aan de bestaande wettelijke structuur waarin besturen verantwoordelijk zijn en de inspectie niet direct de klas kan sturen.
Volgens hem werd Wiersma uiteindelijk door bestuurders neergezet als een soort Trump-figuur: hard roepend, confronterend en ongewenst. Zijn inhoudelijke poging om de structuur te doorbreken liep vast op bestuurlijke weerstand.
De centrale conclusie van Van Haperen is dat het veld zichzelf niet corrigeert. Als de sector haar problemen niet zelf oplost, moet de overheid dat doen. Het onderwijs heeft volgens hem al veertig jaar geen collectieve succeservaring gehad. Er ontbreekt sturing, verantwoordelijkheid en de bereidheid om daadwerkelijk keuzes te maken.
Hij vergelijkt dit met de gezondheidszorg, waar ondanks alle problemen aantoonbare vooruitgang zichtbaar is. In het onderwijs ontbreekt die collectieve verbetering. Artikel 23 van de Grondwet wordt volgens hem vaak verkeerd gebruikt als excuus om niet in te grijpen, terwijl het juist ook de aanhoudende zorg van de overheid vastlegt.
De oplossing volgens Van Haperen is helder: terug naar de basis. Meer uniformiteit, duidelijke eindtermen, sterke centrale examens, vakinhoudelijke focus en leraren die weer daadwerkelijk lesgeven in plaats van begeleiden. Minder papier, minder coördinatoren en minder bestuurlijke vrijblijvendheid.
Ondanks zijn harde analyse eindigt Van Haperen niet cynisch. Hij blijft lesgeven, ook na zijn pensioen. Het werk zelf noemt hij nog altijd prachtig. De jeugd is volgens hem niet het probleem. Kinderen zijn leuk, nieuwsgierig en verdienen beter. Juist daarom moet het systeem veranderen. Wat volgens hem moet stoppen, zijn de leerpleinen*, de overdreven nadruk op eigen verantwoordelijkheid en het aan hun lot overlaten van leerlingen.
*Leerpleinen zijn open, gemeenschappelijke ruimtes in een school waar leerlingen van verschillende klassen zelfstandig of in groepjes werken.
Het studiehuis werd ooit ingevoerd en alweer afgeschaft omdat het niet werkte, maar volgens hem herhalen schoolbesturen dezelfde fouten onder nieuwe namen. Dat laat volgens hem zien dat het lerend vermogen van de sector vrijwel nul is.
De conclusie van het gesprek is hard, maar eenvoudig: het probleem zit niet in een gebrek aan rapporten, geld of analyses. Het probleem zit in een systeem dat bureaucratie boven basisvaardigheden heeft geplaatst. Zolang dat niet verandert, blijven dezelfde rapporten verschijnen, dezelfde waarschuwingen klinken, waardoor generatie na generatie leerlingen de prijs betaalt. ■
