Het is december, buiten is het donker, maar aan tafel bij De Nieuwe Wereld brandt het licht. In de studio, gepresenteerd door Martin Sommer, ontspint zich een gesprek dat zich niet laat samenvatten in slogans of soundbites. Het is een gesprek over energie, maar vooral over macht, politiek, economie en de grenzen van ambitie. Gast is Remco de Boer, energie-expert, podcastmaker van Studio Energie en auteur van onder meer Droomland. Wat volgt is geen pleidooi, geen aanklacht en geen ideologisch pamflet, maar een feitelijke verkenning van wat er wordt gezegd over de energietransitie zoals die zich vandaag ontvouwt in Europa, de Verenigde Staten en daarbuiten.
Vanaf de eerste minuten wordt duidelijk dat het gesprek zich afzet tegen het dominante optimisme dat de afgelopen jaren het debat over klimaat en energie heeft bepaald. De Boer schetst een beeld waarin hoogmoed, wensdenken en politieke opportuniteit een grote rol spelen. Niet als moreel oordeel, maar als constatering op basis van ontwikkelingen in Duitsland, Europa en de wereldwijde machtsverhoudingen.
Duitsland als waarschuwend voorbeeld.
Een van de eerste actuele voorbeelden die wordt besproken, komt uit Duitsland. Daar is een analyse verschenen waaruit blijkt dat hoe langer het duurt om huishoudens van het gas af te krijgen, hoe hoger de kosten worden voor degenen die als laatste overblijven. Het gasnet kent vaste kosten: zolang veel mensen meebetalen, blijven die lasten relatief laag. Naarmate steeds meer mensen overstappen, blijven die vaste kosten rusten op een kleinere groep. In het Duitse scenario kan dat leiden tot een vertienvoudiging van de kosten voor miljoenen huishoudens.
Volgens De Boer betreft dit juist mensen die vaak niet de financiële middelen hebben om snel te verduurzamen. Wie geld heeft, kan investeren in een warmtepomp; wie dat niet kan, blijft achter. Dit mechanisme, zo wordt in het gesprek vastgesteld, creëert sociale spanningen en politieke risico’s. De Boer wijst erop dat dergelijke ontwikkelingen een voedingsbodem vormen voor partijen als de AfD, zonder daar een normatief oordeel over te vellen.
Deze problematiek staat niet op zichzelf. In Duitsland wordt al langer gesproken over “stroomarmoede”, een fenomeen dat al meer dan tien jaar bekend is. De energiewende, ooit gepresenteerd als lichtend voorbeeld voor Europa, laat inmiddels een ander beeld zien: hoge energieprijzen, druk op de industrie, beperkte economische groei en oplopende kosten voor huishoudens.
De energiewende en haar lange aanloop.
De energietransitie in Duitsland is geen recent experiment. Al meer dan 25 jaar wordt er gesproken over de Energiewende. Het besluit om uit kernenergie te stappen dateert van vóór Fukushima, al versnelde de ramp in 2011 het proces. In Nederland werd Duitsland lange tijd gepresenteerd als voorbeeld: zo moest het ook hier.
Inmiddels is het beeld gekanteld. Niet alleen Duitsland, maar ook de Europese Unie als geheel worstelt met de gevolgen van haar energie- en klimaatbeleid. De Boer noemt de-industrialisatie, hoge energieprijzen en het wegvallen van concurrentiekracht als concrete effecten die inmiddels zichtbaar zijn.
De Verenigde Staten en de geopolitiek van energie.
Het gesprek verschuift naar het internationale toneel, waar de Verenigde Staten recent een nieuwe nationale veiligheidsstrategie hebben gepresenteerd. In die strategie speelt energie een centrale rol. Niet alleen olie en gas, maar ook grondstoffen en elektriciteitsproductie worden expliciet gekoppeld aan geopolitieke macht.
De kern van de Amerikaanse benadering is volgens De Boer helder: er moet overvloedige en goedkope energie beschikbaar zijn om economisch en technologisch leidend te blijven. Dat geldt ook voor sectoren als kunstmatige intelligentie en big tech, die enorme hoeveelheden elektriciteit vergen. Amerikaanse technologiebedrijven investeren daarom in eigen energievoorziening, waaronder kernenergie, vaak “achter de meter”, omdat bestaande netwerken de vraag niet aankunnen.
De Verenigde Staten zijn inmiddels de grootste energieproducent ter wereld. Waar vaak nog wordt gedacht aan het Midden-Oosten, exporteert Amerika zelf olie en gas en is het volledig zelfvoorzienend. Dat geeft het land niet alleen economische voordelen, maar ook geopolitieke invloed. Europa, dat Russische energie grotendeels heeft ingeruild voor Amerikaans vloeibaar aardgas (LNG), bevindt zich daardoor in een nieuwe afhankelijkheidsrelatie.
Europa tussen afhankelijkheid en ambitie.
Volgens De Boer heeft Europa zijn afhankelijkheid van Rusland vervangen door afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Dat levert politieke “leverage” op voor Washington. Europese leiders hebben daar zelf publiekelijk op gereageerd door aan te geven meer Amerikaans gas te willen kopen.
Deze situatie is het resultaat van keuzes die decennia geleden zijn gemaakt. Na de val van de muur heerste het idee dat globalisering en vrijhandel vanzelf zouden leiden tot politieke convergentie. Europa liet energieproductie, grondstoffenwinning en raffinage steeds meer over aan andere landen: gas aan Rusland, grondstoffen aan China. Inmiddels blijkt hoe kwetsbaar die strategie is.
Hoewel sommige Europese landen, waaronder Nederland, nu weer spreken over meer gaswinning op de Noordzee, is er sprake van een lange periode van verwaarlozing. Hoge belastingen, onzeker beleid en zware regelgeving maken investeringen onaantrekkelijk. In Groot-Brittannië bedraagt de belastingdruk op olie- en gaswinning in de Noordzee volgens De Boer 78 procent, wat verdere ontwikkeling afremt.
Klimaatdoelen en economische gevolgen.
Centraal in het gesprek staat de vaststelling dat Europa unieke keuzes heeft gemaakt. Waar andere grote uitstoters, de Verenigde Staten, China en India, economische groei vooropstellen, heeft Europa klimaatdoelen wettelijk verankerd. In 2050 moet de EU klimaatneutraal zijn; in 2040 is een reductie van 90 procent vastgelegd.
De Boer schetst de cijfers: Europa is verantwoordelijk voor ongeveer 6 procent van de mondiale uitstoot. China, de VS en India samen zijn goed voor circa 50 procent. Sinds 1990 is de wereldwijde uitstoot met ongeveer 65 procent gestegen, terwijl de Europese uitstoot is gedaald. Daardoor neemt het relatieve aandeel van Europa snel af.
Volgens De Boer zijn veel van die reducties bereikt door het vertrek van industrie. Minder productie betekent minder uitstoot, maar ook verlies van banen, economische activiteit en strategische autonomie. Tegelijkertijd worden klimaatdoelen en economische concurrentiekracht in Brussel volgens hem nog te vaak als gescheiden dossiers behandeld.
De klimaattop in Brazilië.
Een illustratief moment in het gesprek is de bespreking van de recente klimaattop in Brazilië, de dertigste editie van de COP. Daar trad Eurocommissaris Wopke Hoekstra namens de EU op als hoofdonderhandelaar. Hij pleitte voor het expliciet agenderen van de afbouw van fossiele energie en dreigde niet te tekenen als dat niet zou gebeuren.
Uiteindelijk gebeurde dat wel: de afbouw werd niet vastgelegd en de EU ondertekende alsnog. Volgens De Boer toonde dit de beperkte macht van Europa op het wereldtoneel. Het dreigement werd publiek uitgespeeld, maar had geen effect. Ook andere elementen speelden een rol: ontwikkelingslanden eisten hogere financiële bijdragen, China koppelde klimaatambitie aan handelsmaatregelen zoals de Europese CO₂-heffing aan de grens (CBAM), en geopolitieke belangen liepen door elkaar.
De Boer spreekt in dit verband van een faillissement van het consensusmodel waarin alle landen het over iedere letter eens moeten zijn. Waar eerdere verdragen zoals Kyoto en Parijs vooral symbolische waarde hadden en richting gaven, blijkt die aanpak in de huidige wereldorde steeds minder effectief.
Realisme versus optimisme.
In de slotfase van het gesprek komt De Boer terug op het begrip realisme. Hij benadrukt dat het erkennen van problemen niet hetzelfde is als pessimisme. Volgens hem is Europa juist in de huidige situatie beland door een gebrek aan realisme en een overschot aan verplicht optimisme.
Hij verwijst naar uitspraken van bestuurders die stellen dat er een plicht zou zijn om optimistisch te zijn. Volgens De Boer heeft die houding ertoe geleid dat waarschuwingen over netcongestie, back-upcapaciteit en systeemkosten jarenlang zijn genegeerd. Inmiddels wordt in Nederland alleen al gesproken over investeringen van circa 200 miljard euro om het elektriciteitsnet geschikt te maken voor de energietransitie.
Zon en wind blijven volgens De Boer belangrijke onderdelen van het toekomstige energiesysteem, maar ze zijn niet voldoende om het geheel te dragen. Ook back-upcapaciteit, opslag en stabiele energiebronnen zijn noodzakelijk. Discussies over kernenergie, kleine modulaire reactoren en het voortgezet gebruik van olie en gas maken daar deel van uit.
Een open einde.
Het gesprek bij De Nieuwe Wereld eindigt niet met een oplossing, maar met een constatering. De energietransitie is geen technisch project alleen, maar een maatschappelijke en geopolitieke opgave waarin tempo, kosten en consequenties bepalend zijn. De werkelijkheid, zo wordt vastgesteld, laat zich niet dwingen door ambities alleen.
Wat resteert is het besef dat realisme misschien geen inspirerend woord is, maar wel een noodzakelijke voorwaarde om vooruit te komen. Niet door dromen te verloochenen, maar door ze te toetsen aan wat er feitelijk gebeurt in een wereld die snel verandert.■
