Stel je een wereld voor waarin de dominante ideeën van een tijdperk zo alomtegenwoordig zijn geworden dat niemand ze nog bij naam kent. Een wereld waarin politieke keuzes, economische structuren en zelfs persoonlijke overtuigingen voortkomen uit één samenhangende doctrine*, zonder dat die doctrine* ooit expliciet wordt benoemd. Dat is het uitgangspunt van The Invisible Doctrine, een documentaire van Journeyman Pictures die laat zien hoe het neoliberalisme* zich stilzwijgend heeft genesteld in vrijwel elk aspect van het moderne leven. Wat volgt is geen aanklacht en geen pleidooi, maar een feitelijke weergave van wat in de documentaire wordt uiteengezet: de oorsprong, verspreiding en gevolgen van een ideologie die volgens de film anoniem opereert en juist daarin haar kracht vindt.
*Een doctrine is een vaststaand geheel van leerstellingen of principes dat de officiële basis vormt voor het denken en handelen binnen een specifieke groep.
*Neoliberalisme is een politiek-economische stroming die de vrije markt ziet als het meest efficiënte middel om de samenleving te ordenen.
De kern bestaat uit drie pijlers:
- Privatisering: Overheidstaken (zoals zorg, energie of spoorwegen) worden overgedragen aan private bedrijven.
- Deregulering: Het schrappen van wetten en regels die marktwerking en concurrentie kunnen belemmeren.
- Bezuinigingen: De overheid trekt zich terug uit de publieke sector en verlaagt belastingen om individuele verantwoordelijkheid te stimuleren.
In tegenstelling tot het klassiek liberalisme stelt het neoliberalisme dat de markt niet vanzelf ontstaat, maar dat de overheid actief wetten moet maken om marktwerking en concurrentie op elk levensgebied (zelfs waar dat niet natuurlijk is) af te dwingen.
Een ideologie zonder naam.
De documentaire opent met een gedachte-experiment: wat als de inwoners van de voormalige Sovjet-Unie nooit van het communisme hadden gehoord? Volgens de film bevindt de westerse wereld zich vandaag in een vergelijkbare situatie. De dominante ideologie van deze tijd heeft geen herkenbare naam in het dagelijks taalgebruik. Wanneer het woord ‘neoliberalisme’* valt, reageren veel mensen met onbegrip of schouderophalen. Zelfs wie het begrip kent, vindt het vaak lastig om het te definiëren.
Juist deze anonimiteit wordt in de documentaire gepresenteerd als zowel symptoom als oorzaak van de invloed van het neoliberalisme*. Een ideologie die niet wordt herkend als ideologie, kan functioneren als een vanzelfsprekendheid, bijna als een natuurwet. Ze wordt ervaren zoals Darwin’s evolutietheorie: niet als een keuze, maar als een onontkoombare realiteit. Volgens de film is dit echter misleidend. Het neoliberalisme* wordt beschreven als een bewust ontworpen filosofie, ontwikkeld om machtsverhoudingen te veranderen en te bestendigen.
Concurrentie als mensbeeld.
Centraal in de definitie die de documentaire geeft, staat het idee dat concurrentie de bepalende eigenschap van de mens zou zijn. Het neoliberalisme* herdefinieert mensen niet in de eerste plaats als burgers, maar als consumenten. Keuzes worden niet meer gezien als politieke handelingen, maar als transacties op de markt. Via kopen en verkopen, zo luidt de redenering, ontstaat vanzelf een hiërarchie van winnaars en verliezers.
Binnen deze logica wordt ongelijkheid gepresenteerd als iets positiefs, zelfs als een deugd. Ongelijkheid zou nodig zijn om welvaart te creëren, die uiteindelijk naar beneden zou doorsijpelen. Pogingen om ongelijkheid te verminderen worden in deze visie afgeschilderd als moreel schadelijk. Belastingen moeten omlaag, regelgeving moet verdwijnen en publieke diensten moeten worden geprivatiseerd. Collectieve structuren zoals vakbonden worden gezien als obstakels voor de ‘natuurlijke’ ordening van de markt.
De documentaire beschrijft hoe deze ideeën in de loop der jaren zijn geïnternaliseerd. Rijkdom wordt toegeschreven aan persoonlijke verdienste en ondernemerschap, terwijl structurele voordelen zoals afkomst, opleiding en erfvermogen buiten beschouwing blijven. Tegelijkertijd nemen mensen in armoede de schuld vaak zelf op zich. Werkloosheid, schulden of gezondheidsproblemen worden ervaren als persoonlijke mislukkingen, niet als uitkomsten van bredere economische structuren.
Historische wortels van het kapitalistische model.
Om het neoliberalisme* te begrijpen, stelt de documentaire, moet eerst het kapitalisme zelf worden begrepen. Een van de vroegste voorbeelden die wordt aangehaald, is het eiland Madeira, dat in de vijftiende eeuw door Portugal werd gekoloniseerd. Het eiland werd ontbost om suikerproductie mogelijk te maken, waarbij slavernij en geïmporteerd kapitaal een centrale rol speelden. Madeira werd in korte tijd een van de grootste suikerproducenten ter wereld, maar de productiviteit stortte even snel weer in toen de natuurlijke hulpbronnen uitgeput raakten.
Dit patroon, snelle exploitatie gevolgd door verval en vertrek, wordt in de film gepresenteerd als kenmerkend voor het kapitalistische systeem. Hetzelfde gebeurde later in Brazilië, het Caribisch gebied en uiteindelijk wereldwijd. De documentaire stelt dat ecologische schade en economische crises geen toevallige neveneffecten zijn, maar inherent aan dit model van ‘boom, bust, quit’*.
*In de context van het neoliberalisme en ‘De Onzichtbare Doctrine’ verwijst de cyclus van ‘boom, bust, quit*’ naar een agressieve manier van zakendoen waarbij korte-termijnwinst altijd boven stabiliteit gaat.
Dit is wat de drie termen betekenen:
- Boom (Groei): Een periode van kunstmatige, razendsnelle groei. Er wordt maximaal geleend en risico genomen om zoveel mogelijk winst uit een bedrijf of sector te persen.
- Bust (Crisis): De zeepbel knapt. De risico’s stapelen zich op en het systeem stort in (denk aan de bankencrisis). Omdat de winsten al zijn uitgekeerd aan de top, blijft de rest van de samenleving met de brokstukken zitten.
- Quit (Stoppen/Vluchten): In plaats van verantwoordelijkheid te nemen voor de puinhoop, trekken de verantwoordelijken (beleggers of directeuren) zich terug met hun verdiende vermogen. Ze verlaten het zinkende schip voordat de rekening betaald moet worden.
De kern van de uitleg:
Wanneer men zegt dat dit “inherent” is aan het model, bedoelen ze dat dit gedrag geen “foutje” is in het systeem, maar een ingebouwd kenmerk. Het model is niet ontworpen om iets moois op te bouwen voor de lange termijn, maar om zo snel mogelijk waarde te onttrekken en vervolgens weg te wezen voordat de schade je inhaalt.Dit zou dus kunnen wijzen op de verborgen prijs van snelle groei: de onvermijdelijke klap die daarna komt.
Volgens de film werd deze geschiedenis vanaf het begin verhuld door wat ‘rechtvaardigende sprookjes’ worden genoemd. Filosofen als John Locke introduceerden het idee dat land eigendom wordt door het te bewerken, een redenering die werd gebruikt om koloniale landroof en slavernij te legitimeren. In werkelijkheid, zo stelt de documentaire, was het niet de arbeid van de landeigenaren, maar die van tot slaaf gemaakten die de rijkdom creëerde.
De geboorte van het neoliberalisme.
De term ‘neoliberalisme’* werd voor het eerst gebruikt tijdens een bijeenkomst in Parijs in 1938. Onder de aanwezigen waren Ludwig von Mises en Friedrich Hayek, Oostenrijkse economen die zich verzetten tegen de opkomende welvaartsstaat en het beleid van Franklin D. Roosevelt. Zij zagen in sociale zekerheid en overheidsingrijpen een glijdende schaal richting totalitarisme.
In 1944 publiceerde Hayek The Road to Serfdom, waarin hij betoogde dat sociale democratie onvermijdelijk zou leiden tot verlies van vrijheid. Deze ideeën vonden gehoor bij invloedrijke en vermogende personen die hoge belastingen en regulering als bedreiging zagen. Met hun financiële steun ontstond in 1947 de Mont Pelerin Society, een internationaal netwerk van academici, journalisten en zakenmensen dat het neoliberale gedachtegoed actief promootte.
Rijke donoren richtten denktanks op zoals de American Enterprise Institute, de Heritage Foundation en het Institute of Economic Affairs. Universiteiten kregen gesponsorde leerstoelen en afdelingen. Ondanks deze investeringen bleef het neoliberalisme* aanvankelijk marginaal. De dominante economische consensus na de Tweede Wereldoorlog was keynesiaans**, gericht op volledige werkgelegenheid, hoge belastingen en sterke publieke voorzieningen.
**Het keynesiaans beleid is een economische theorie die stelt dat de overheid actief moet ingrijpen in de economie om groei te stimuleren en crises te voorkomen.
Na de Tweede Wereldoorlog was dit de wereldwijde standaard (de “consensus”). De kernpunten zijn:
- De overheid als regisseur: Als het slecht gaat met de economie, moet de overheid juist geld uitgeven (bijvoorbeeld aan bouwprojecten of sociale voorzieningen) om de vraag aan te jagen en banen te creëren.
- Sociale zekerheid: Het idee dat een sterke verzorgingsstaat en goede publieke diensten zorgen voor een stabiele economie.
- Tegencyclus: In goede tijden spaart de overheid of verhoogt ze de belastingen; in slechte tijden geeft ze geld uit, zelfs als dat tot tijdelijke tekorten leidt.
Het grote verschil:
Waar het neoliberalisme (vanaf de jaren ’80) gelooft dat de markt alles zelf oplost, geloofde het keynesianisme dat de overheid de markt moet sturen om chaos en grote werkloosheid te voorkomen.Het was de periode waarin men geloofde in collectieve opbouw en overheidssturing, voordat de “onzichtbare doctrine” van de vrije markt de overhand nam.
Doorbraak en wereldwijde toepassing.
Pas in de jaren zeventig, toen het keynesiaanse** model onder druk kwam te staan door economische crises, kon het neoliberalisme* volgens de documentaire naar voren treden als alternatief. Beleidsmakers en adviseurs stonden klaar. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk kregen neoliberale* ideeën voet aan de grond onder president Jimmy Carter en premier James Callaghan, vooral via monetair beleid.
Met de komst van Margaret Thatcher en Ronald Reagan werd het volledige neoliberale* programma ingevoerd: belastingverlagingen voor de rijken, deregulering van financiële markten, privatisering van publieke diensten en het verzwakken van vakbonden. Deze aanpak werd later internationaal verspreid via instellingen als het IMF, de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie en handelsverdragen.
Opvallend is volgens de documentaire dat het neoliberalisme* niet beperkt bleef tot conservatieve regeringen. Ook centrumlinkse partijen namen het gedachtegoed over. In de Verenigde Staten deden Democratische presidenten dit, in het Verenigd Koninkrijk volgde Labour. Zo besloeg het neoliberalisme* uiteindelijk het hele politieke spectrum.
Economische en politieke gevolgen
De film beschrijft hoe economische groei in de neoliberale* periode lager lag dan in de decennia ervoor, terwijl ongelijkheid sterk toenam. Publieke diensten werden geprivatiseerd, waarna eigenaren hogere tarieven konden vragen dan de daadwerkelijke kosten rechtvaardigden. Deze extra inkomsten worden in de documentaire aangeduid als ‘rente’: onverdiend inkomen dat voortkomt uit controle over essentiële voorzieningen.
Daarnaast wordt gewezen op mechanismen zoals Investor-State Dispute Settlement, waarmee bedrijven overheden kunnen aanklagen wanneer wetgeving hun winst bedreigt. Democratische besluiten kunnen zo worden teruggedraaid door internationale tribunalen, wat volgens de film leidt tot een uitholling van de democratie.
Politiek gezien stelt de documentaire dat het verkleinen van de staat en het benadrukken van marktkeuzes burgers vervreemdt van hun invloed. Stemmen met de portemonnee betekent dat wie meer geld heeft, meer macht bezit. Dit zou de weg vrijmaken voor populistische en autoritaire bewegingen die inspelen op onvrede en onzekerheid.
Een wereld onder druk.
In het laatste deel van de documentaire verschuift de focus naar de ecologische crisis. Onbegrensde economische groei wordt gepresenteerd als onverenigbaar met een eindige planeet. De film beschrijft hoe complexe systemen zoals het klimaat kantelpunten kennen, waarna herstel onmogelijk wordt. Extreme weersomstandigheden worden gepresenteerd als signalen dat dergelijke grenzen naderen.
Volgens de documentaire is technologie niet het probleem en geld evenmin. Wat ontbreekt, is politieke wil. Historische voorbeelden, zoals de snelle omschakeling van de Amerikaanse economie tijdens de Tweede Wereldoorlog, worden aangehaald om te laten zien hoe snel verandering kan plaatsvinden wanneer die wil er is.
Het belang van verhalen
Tot slot benadrukt de film dat politieke verandering niet alleen draait om beleid, maar om verhalen. Mensen begrijpen complexe problemen niet uitsluitend via cijfers, maar via narratieven met een begin, midden en einde. Het neoliberalisme* heeft volgens de documentaire een krachtig verhaal verteld over vrijheid, ondernemerschap en de ‘onzichtbare hand’.
Daartegenover plaatst de film een ander verhaal, gebaseerd op wetenschappelijke inzichten uit onder meer biologie en psychologie: de mens als coöperatief en altruïstisch wezen. = (het onbaatzuchtig helpen van anderen) Samenwerking en wederzijdse hulp zouden geen afwijkingen zijn, maar fundamentele kenmerken van menselijke samenlevingen. Initiatieven zoals participatief begroten in Porto Alegre en burgerplatforms in Reykjavik worden genoemd als voorbeelden van alternatieve vormen van democratische organisatie.
De documentaire eindigt met de stelling dat grote veranderingen in de geschiedenis nooit uitsluitend zijn voortgekomen uit sterke leiders, maar uit overtuigende verhalen die mensen mobiliseerden. Wie het verhaal vertelt, bepaalt hoe de wereld wordt begrepen.
En zo blijft na ruim een uur kijken niet zozeer één conclusie hangen, maar een constatering: ideeën die onzichtbaar lijken, kunnen een zichtbare, allesomvattende invloed hebben op de manier waarop samenlevingen functioneren, totdat iemand ze weer bij naam noemt.■
