Een journalist bouwt een eigen platform, verzamelt een publiek en publiceert over onderwerpen die anderen liever ongemoeid laten. Totdat één lezer bezwaar maakt tegen een artikel. Vervolgens komt een commercieel technologiebedrijf in actie en dreigt de journalist zijn digitale publicatieplek te verliezen. Dat is wat Jonathan Krispijn, voormalig verslaggever van Ongehoord Nederland en oprichter van Krispijnpunt, naar eigen zeggen is overkomen. Framer, het Amerikaanse websiteplatform waarop zijn website draaide, verlangde dat bepaalde artikelen werden aangepast of verwijderd. Krispijn weigerde. Zijn website ging offline. Daarmee komt een ongemakkelijke vraag op tafel: hoeveel is journalistieke onafhankelijkheid nog waard wanneer een commerciële dienstverlener feitelijk de mogelijkheid heeft om de toegang tot je eigen publicatieplatform af te sluiten?
De nieuwe censuurknop zit niet bij de staat
Censuur wordt doorgaans geassocieerd met overheden die publicaties verbieden, kranten onder druk zetten of journalisten verhinderen hun werk te doen. Maar de digitale werkelijkheid heeft een nieuwe machtsverhouding gecreëerd. Wie tegenwoordig een journalistiek platform begint, is voor de technische uitvoering afhankelijk van bedrijven die de infrastructuur leveren waarop publicaties verschijnen. Die bedrijven bepalen niet alleen welke diensten zij aanbieden, maar ook onder welke voorwaarden klanten daarvan gebruik mogen maken.
Daarmee ontstaat een vorm van afhankelijkheid die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien zolang alles naar behoren functioneert. Een journalist kan zijn eigen redactie samenstellen, zelf bepalen welke onderwerpen hij onderzoekt en rechtstreeks met zijn publiek communiceren. Toch bezit hij niet noodzakelijk de technische infrastructuur waarmee hij dat doet. Een externe aanbieder kan de toegang tot zijn diensten beperken wanneer hij meent dat een gebruiker de algemene voorwaarden heeft overtreden.
Dat is de spanning die zichtbaar wordt in de kwestie rond Jonathan Krispijn. Zijn website Krispijnpunt.nl verdween nadat een klacht was ingediend over artikelen die als antisemitisch werden aangemerkt. Volgens Krispijn was één lezer verantwoordelijk voor het in gang zetten van de procedure bij Framer. Het bedrijf verzocht hem vervolgens de betreffende publicaties aan te passen of te verwijderen.
De journalist weigerde. Niet omdat hij ontkende dat er discussie over de inhoud kon ontstaan, maar omdat hij vond dat een commercieel softwarebedrijf niet de aangewezen instantie was om hem tot inhoudelijke wijzigingen te dwingen. Wie een publicatie onrechtmatig vindt, kan volgens hem de juridische weg bewandelen. Laat een rechter dan maar beoordelen waar de grenzen liggen.
Maar die discussie kreeg geen openbare rechterlijke ontknoping. De confrontatie vond plaats binnen de verhouding tussen een klant en een technologiebedrijf. En juist daarin schuilt het grotere probleem: de macht om een publicatieplatform ontoegankelijk te maken ligt niet uitsluitend bij overheden.
Eén klacht brengt de website in gevaar
Krispijn begon zijn eigen mediakanaal nadat hij jarenlang als verslaggever voor Ongehoord Nederland had gewerkt. Hij wilde meer ruimte om zelfstandig onderwerpen te onderzoeken en te publiceren. Via Krispijnpunt bracht hij podcasts, interviews, documentaires en artikelen uit, met bijzondere aandacht voor Israël, de invloed van politieke en financiële machtsstructuren, de oorlog in Oekraïne en het neoconservatieve gedachtegoed.
Het zijn onderwerpen die geregeld tot scherpe maatschappelijke en politieke discussies leiden. Krispijn vindt dat bepaalde machtsverhoudingen en historische kwesties onvoldoende kritisch worden onderzocht. Zijn redacteur Fabio schreef onder meer een artikel over wat hij omschreef als de Joodse oligarchie in Oekraïne. Daarin werden historische achtergronden, de Holodomor en de neoconservatieve stroming met elkaar in verband gebracht. Volgens Krispijn was het artikel voorzien van historische informatie en citaten uit boeken.
Een lezer beschouwde de publicatie als antisemitisch en besloot volgens Krispijn de kwestie bij Framer aan te kaarten. De klager had uitgezocht met welk platform de website was gebouwd en stuurde de artikelen vervolgens naar het bedrijf. Daarbij werd verwezen naar de algemene voorwaarden, waarin onder meer beperkingen zijn opgenomen voor haatdragende en racistische inhoud.
Framer nam daarop contact op met Krispijn en verlangde dat hij de betreffende artikelen zou aanpassen of verwijderen. Krispijn zegt dat hij nauwelijks gelegenheid kreeg om zijn inhoudelijke bezwaren naar behoren toegelicht te krijgen en dat zijn reactie niet serieus werd meegenomen in de uiteindelijke beslissing. Hij wilde de artikelen laten staan en vroeg Framer de klager te verwijzen naar de rechter als deze meende dat de publicaties onrechtmatig waren.
Het bedrijf bleef echter bij zijn verzoek. Er volgde een deadline. Krispijn besloot daar niet aan te voldoen. Het gevolg was dat hij zijn website op het gebruikte softwareplatform kwijtraakte.
De kwestie laat een opmerkelijke machtsverhouding zien. Een journalist kan een publicatie maken, een redacteur inzetten, bronnen bestuderen en een eigen publiek opbouwen. Maar wanneer de technische aanbieder ingrijpt, kan dat hele publicatieproces in korte tijd worden ontwricht.
De beschuldiging raakt ook aan zijn eigen achtergrond
De beschuldiging van antisemitisme maakt deze kwestie extra beladen. Jonathan Krispijn heeft zelf een Joodse achtergrond via zijn vaderskant. Hij noemt de beschuldigingen daarom bizar en stelt dat zijn journalistieke werk niet gericht is tegen Joden als bevolkingsgroep, maar kritisch is op de staat Israël, politieke belangen en de invloed die hij aan bepaalde netwerken en stromingen toeschrijft.
Dat onderscheid is wezenlijk voor het debat. Kritiek op het beleid van een staat, op politieke organisaties of op machtsverhoudingen moet niet automatisch worden gelijkgesteld aan vijandigheid tegenover een bevolkingsgroep of religieuze gemeenschap. Tegelijkertijd maakt iemands persoonlijke achtergrond een publicatie niet bij voorbaat immuun voor kritiek. Ook een journalist met een Joodse achtergrond kan worden aangesproken op de inhoud en formulering van zijn werk.
Juist daarom is een zorgvuldige inhoudelijke beoordeling van belang. De vraag of een artikel antisemitisch is, verdient een beoordeling op basis van de daadwerkelijke tekst, de gebruikte argumenten en de context. Een beschuldiging alleen geeft nog geen definitief antwoord. In het gesprek met De Begrenzers wordt de inhoud van de gewraakte artikelen niet volledig onafhankelijk onderzocht. Er wordt evenmin een rechterlijke uitspraak gepresenteerd waarin de beschuldiging wordt bevestigd.
Wat wel duidelijk wordt, is dat het geschil verstrekkende gevolgen kreeg voordat er een openbare juridische beoordeling had plaatsgevonden. En dat brengt ons terug bij de rol van Framer.
Framer: vrijheid ontwerpen, maar wel binnen de eigen voorwaarden
Framer is geen traditionele webhostingpartij, maar een modern no-code websiteplatform waarmee gebruikers visueel complete websites kunnen ontwerpen en publiceren. De werkomgeving doet denken aan ontwerpsoftware zoals Figma. Gebruikers kunnen zonder uitgebreide programmeerkennis pagina’s opbouwen, vormgeving aanpassen, animaties toevoegen en via een ingebouwd contentmanagementsysteem artikelen beheren.
De aantrekkingskracht is begrijpelijk. Wie snel een professionele website wil opzetten, krijgt veel ontwerpvrijheid en hoeft niet zelf alle technische onderdelen te programmeren. Ook de mogelijkheden om websites snel te ontwikkelen en te publiceren maken het platform aantrekkelijk voor ondernemers, ontwerpers en mediaproducenten.
Maar achter dat gebruiksgemak gaat een afhankelijkheid schuil. Wie zijn website binnen de infrastructuur van Framer opbouwt, is voor het functioneren en publiceren afhankelijk van de voorwaarden en diensten van het bedrijf. Dat verschijnsel staat bekend als vendor lock-in: de gebruiker raakt technisch en praktisch gebonden aan een specifieke leverancier, waardoor overstappen naar een andere omgeving tijd, geld en werk kost.
Dat is precies de kwetsbaarheid waarmee Krispijn nu wordt geconfronteerd. Zijn website was niet zomaar een verzameling artikelen die hij met één druk op de knop naar een willekeurige andere aanbieder kon verplaatsen. De technische inrichting, de vormgeving en de publicatieomgeving moesten opnieuw worden opgebouwd.
De les is dan ook groter dan de vraag welk websiteprogramma iemand moet gebruiken. Het gaat om de eigendom en controle over de middelen waarmee journalistiek wordt verspreid. Een eigen domeinnaam betekent nog niet dat je volledige controle hebt over de website. Wie de onderliggende software en infrastructuur niet zelf beheert, blijft afhankelijk van beslissingen van derden.
Private rechters in het digitale publieke debat
Hier raakt de kwestie aan de bredere discussie over persvrijheid. De Nederlandse grondwet beschermt de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van drukpers tegen overheidsingrijpen. Maar de digitale publicatiewereld kent een aanvullende machtslaag: commerciële ondernemingen die hun eigen voorwaarden hanteren en bepalen wie van hun diensten gebruik mag maken.
Dat is juridisch niet hetzelfde als censuur door de overheid. Een privaat bedrijf mag voorwaarden stellen aan het gebruik van zijn diensten en kan optreden wanneer het meent dat die voorwaarden worden overtreden. Maar de praktische gevolgen kunnen voor een journalist aanzienlijk zijn. Wanneer een aanbieder een publicatieomgeving afsluit, kan de mogelijkheid om het eigen publiek te bereiken direct worden geraakt.
Critici waarschuwen daarom voor het ontstaan van private rechters: ondernemingen die op basis van hun eigen voorwaarden beslissingen nemen met gevolgen voor het publieke debat. Zij zijn geen rechtbank en hun interne beoordeling is geen rechterlijke uitspraak. Toch kunnen hun beslissingen voor de betrokken journalist vergelijkbare praktische gevolgen hebben als een publicatieverbod.
Daar zit een fundamentele spanning. De vrijheid om journalistiek te publiceren kan op papier bestaan, terwijl de technische mogelijkheid om die vrijheid uit te oefenen afhankelijk blijft van commerciële partijen. De journalist heeft zijn eigen platform, maar niet noodzakelijk de sleutel tot de infrastructuur waarop het draait.
In het gesprek wordt bovendien gewezen op het belang van reputatierisico’s. Commerciële ondernemingen kunnen terughoudend worden wanneer hun naam in verband wordt gebracht met controversiële publicaties. De gesprekspartners vermoeden dat reputatieoverwegingen bij Framer een rol kunnen hebben gespeeld. Of dat daadwerkelijk de doorslag gaf, is niet aangetoond. Een inhoudelijke reactie van Framer op de concrete beschuldigingen en de afweging van het bedrijf komt in het gesprek niet aan bod.
Dat maakt het des te belangrijker om onderscheid te blijven maken tussen wat vaststaat, wat Krispijn verklaart en welke motieven door de gesprekspartners worden vermoed. De centrale vraag blijft overeind: hoeveel ruimte heeft een journalist nog wanneer de aanbieder van zijn publicatie-infrastructuur tegelijk de beoordelaar van zijn inhoud wordt?
De juridische strijd die hij niet kan betalen
Krispijn heeft overwogen om de kwestie juridisch aan te vechten. Hij wilde de confrontatie aangaan en de zaak desnoods voor de rechter brengen. Toch besloot hij uiteindelijk een andere route te kiezen.
De reden is opvallend praktisch: geld en tijd. Een rechtszaak betekent advocaatkosten, administratie en een langdurige inspanning. Ondertussen moet zijn journalistieke productie doorgaan. Er moeten interviews worden opgenomen, documentaires worden gemaakt en artikelen worden geschreven. Geld dat naar een juridische procedure gaat, kan niet meer worden besteed aan een editor, redacteur of cameraman.
Daarmee ontstaat een wrange situatie. Om te kunnen strijden voor de mogelijkheid onafhankelijk te publiceren, moet een journalist middelen inzetten die hij juist nodig heeft om onafhankelijk te kunnen blijven publiceren.
Krispijn zegt dat hij de juridische strijd zeker zou zijn aangegaan wanneer hij voldoende financiële ruimte had gehad om de zaak aan een advocaat uit te besteden. Hij sluit de mogelijkheid dus niet principieel uit. Maar voor een zelfstandig mediakanaal is het niet vanzelfsprekend om dergelijke kosten te dragen zonder de rest van de organisatie te verzwakken.
Zijn keuze om weg te lopen is daarmee geen erkenning dat de klacht terecht was. Het is een strategische beslissing over de besteding van schaarse middelen. In plaats van zijn energie te steken in het terugwinnen van een plek binnen de bestaande infrastructuur, wil hij een omgeving bouwen waarin hij minder afhankelijk is van dergelijke beslissingen.
Van een kwetsbare website naar digitale autonomie
De ervaring met Framer heeft Krispijn ertoe gebracht zijn volledige digitale infrastructuur opnieuw te bekijken. Hij wil niet alleen een andere website, maar uiteindelijk ook een eigen mediaspeler, een server die hij zelf beheert en meer zelfstandigheid bij het betalingsverkeer.
Hij wil voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw afhankelijk wordt van een platform dat de toegang tot zijn werk kan beperken. Ook waarschuwt hij voor de afhankelijkheid van YouTube. Hoewel zijn kanaal daar op het moment van het gesprek nog actief is, zegt hij dat hij eerder al gewaarschuwd is voor de mogelijkheid dat ook die distributieroute problemen kan opleveren.
De oplossing die hij voor ogen heeft, vraagt een grotere investering. Een eigen mediaspeler betekent dat video’s niet langer uitsluitend via een extern videoplatform hoeven te worden aangeboden. Een eigen server geeft meer zeggenschap over de technische omgeving. Maar dat brengt ook verantwoordelijkheid mee voor onderhoud, beveiliging, capaciteit en dataverkeer.
Vooral dat laatste kan duur worden. In het gesprek wordt gesproken over maandelijkse kosten die bij tienduizenden kijkers kunnen oplopen tot ongeveer duizend euro. Het gaat om een indicatie die Krispijn naar eigen zeggen van mensen met ervaring op dit terrein heeft gekregen. Een eigen infrastructuur betekent dus niet dat de kosten verdwijnen. De afhankelijkheid van één leverancier wordt ingeruild voor eigen technische en financiële verantwoordelijkheid.
Als alternatief voor gesloten websiteplatforms ligt een zelfbeheerde omgeving met open-source software, zoals WordPress, voor de hand. Daarmee kan de gebruiker meer controle krijgen over de software en de inrichting van de website, mits ook de hosting en het beheer zelfstandig worden geregeld. Alleen overstappen naar andere software is niet voldoende wanneer de onderliggende infrastructuur opnieuw volledig afhankelijk blijft van één externe partij.
Dat is de strategische les die uit deze kwestie naar voren komt: digitale onafhankelijkheid begint niet bij een mooie vormgeving, maar bij controle over de middelen waarmee je publiceert.
Crowdfunding als antwoord op afhankelijkheid
Om de nieuwe website te financieren is Krispijn een crowdfunding begonnen. Hij wil de gelegenheid aangrijpen om niet opnieuw een tijdelijke oplossing te bouwen, maar meteen te werken aan een uitgebreidere infrastructuur. Daarbij hoort ook de ontwikkeling van een eigen mediaspeler.
De financiële uitdaging is aanzienlijk. Onafhankelijke media kunnen niet altijd rekenen op de advertentie-inkomsten die grotere commerciële mediabedrijven genereren. Krispijn stelt dat adverteerders terughoudend zijn om zich met zijn publicaties te associëren, vooral wanneer het gaat om gevoelige onderwerpen rond Israël en de politieke machtsverhoudingen die hij onderzoekt.
Daardoor wordt het publiek een belangrijke financiële pijler. De mensen die zijn uitzendingen en artikelen volgen, kunnen via donaties bijdragen aan de technische onafhankelijkheid van het platform.
Dat maakt de verhouding tussen journalist en publiek anders. De financiering komt niet uitsluitend uit commerciële advertenties, maar voor een belangrijk deel uit de bereidheid van bezoekers om het journalistieke project rechtstreeks te ondersteunen. Tegelijkertijd blijft het een kwetsbaar model: een eigen website, mediaspeler en server moeten ook na de eerste crowdfunding structureel worden bekostigd.
Krispijn wil voorkomen dat hij over enkele maanden opnieuw geld moet inzamelen omdat een volgend platform wegvalt. Daarom wil hij nu verder kijken dan alleen het directe probleem en de technische afhankelijkheden in één keer zo veel mogelijk aanpakken.
De website verdween, het conflict bleef
De kwestie rond Krispijnpunt laat zien hoe kwetsbaar onafhankelijke journalistiek kan zijn wanneer de publicatie-infrastructuur in handen is van commerciële dienstverleners. Een journalist kan zijn eigen onderwerpen kiezen, maar daarmee is hij nog niet onafhankelijk van de bedrijven die zijn website, video’s en betalingsmogelijkheden faciliteren.
Dat betekent niet dat iedere klacht censuur is, dat algemene voorwaarden geen betekenis hebben of dat journalisten zich nooit hoeven te verantwoorden voor hun publicaties. Het betekent wel dat de manier waarop zulke klachten worden behandeld grote gevolgen kan hebben. Wanneer een commerciële partij ingrijpt zonder dat er een openbare rechterlijke beoordeling heeft plaatsgevonden, ontstaat een machtsverhouding die aandacht verdient.
De zaak roept bovendien een vraag op die veel verder reikt dan Krispijn zelf. Hoeveel onafhankelijke publicatieplatforms zijn werkelijk onafhankelijk wanneer hun technische fundament bij een derde partij ligt? En hoeveel journalisten realiseren zich pas waar hun kwetsbaarheid zit wanneer een klacht ertoe leidt dat hun publicatieomgeving onder druk komt te staan?
Krispijn heeft voorlopig zijn keuze gemaakt. Hij wil niet blijven vechten om toegelaten te worden tot een platform waarvan hij afhankelijk is geworden. Hij wil bouwen aan een eigen omgeving, ook al kost dat tijd, geld en opnieuw veel werk.
De oorspronkelijke publicatiekwestie is daarmee niet opgelost. De beschuldiging is niet door een rechter beoordeeld en het conflict over de inhoud heeft geen openbare juridische uitspraak opgeleverd. Maar de gevolgen zijn wel concreet: een bestaande website verdween en een nieuw mediaproject moet worden opgebouwd.
De opmerkelijkste les van dit verhaal is misschien wel dat je tegenwoordig een eigen journalistiek platform kunt bezitten zonder werkelijk de baas te zijn over je eigen publicaties. Wie de techniek beheert, bezit immers een machtspositie die pas zichtbaar wordt wanneer het erop aankomt. En wie zijn vrijheid van publiceren serieus neemt, zal dus niet alleen moeten nadenken over wat hij schrijft, maar ook over wie de stekker eruit kan trekken.■ Bron: De Begrenzers
