Het begint met een fluistering, bijna toevallig. Een telefoontje, een verzoek om langs te komen, ergens in een kelder in Rotterdam. Vier artsen, ieder met een gedegen medische achtergrond, sommigen verbonden aan grote universitaire centra, leggen een verhaal op tafel dat, als het klopt, het verloop van de coronapandemie had kunnen veranderen. In De Nieuwe Wereld vertelt Ruud Koornstra hoe een bestaand, goedkoop medicijn volgens deze artsen effectief leek te werken tegen het coronavirus. Maar vooral vertelt hij hoe het onmogelijk bleek om die mogelijke oplossing ook werkelijk aan tafel te krijgen bij de overheid.
Het is een verhaal dat geen sensatie zoekt. Het is een feitelijke weergave van wat er in de betreffende aflevering van De Nieuwe Wereld wordt uitgesproken. Een verhaal dat begint in de hectiek van de eerste coronamaanden, maar uitwaaiert naar fundamentele vragen over communicatie, lef en bestuurlijke blokkades.
De oproep uit Rotterdam
In april van het eerste coronajaar ontving Koornstra een telefoontje. Artsen uit Rotterdam wilden hem dringend spreken. Niet omdat hij medicus is, dat is hij niet, maar omdat hij via zijn werk in innovatie en duurzaamheid bekendstaat als iemand die kan verbinden, die deuren kan openen.
De boodschap was ongewoon: “We hebben een oplossing.” Volgens de artsen ging het om een bestaand medicijn dat al decennia breed wordt toegepast. Eén van de betrokken artsen was zelfs de directe voorganger van Diederik Gommers binnen het betreffende vakgebied. Zij hadden de indruk dat het middel een krachtige werking had op de ontstekingsreacties die zoveel coronapatiënten fataal werden.
Koornstra reageerde zoals velen zouden reageren: Bel het ministerie. Maar dat hadden de artsen al geprobeerd. Ze kwamen niet binnen. Daarom vroegen ze hem.
En dus reisde Koornstra naar Rotterdam, naar een ruimte onder een juridisch kantoor. Geen zweverige types, benadrukt hij in het gesprek, maar artsen met academische achtergronden uit Rotterdam en Amsterdam, die meenden dat ze een werkend medicijn in handen hadden.
Het middel bleek lidocaïne te zijn, bekend als lokaal verdovingsmiddel, bijvoorbeeld bij tandartsen, maar volgens deze artsen in bepaalde toedieningsvormen inzetbaar tegen de hyperinflammatie die bij ernstige coronapatiënten ontstaat.
Het torentje.
Twee weken later zat Koornstra voor een ander onderwerp in het Torentje. Premier Mark Rutte vroeg hem plots: “Heb je nog een oplossing voor corona?” Dat moment bood ruimte om het verhaal te delen. Rutte liet daarop ministeriële topambtenaren oproepen. Het leek even alsof de deur naar serieuze bespreking openging.
Maar daarna volgden vooral muren.
Wat Koornstra probeerde, het verbinden van artsen, ministeries en deskundigen, strandde op wat hij omschrijft als “weerstand die niet normaal was”. Hij kreeg afspraken niet rond, kreeg medische teams niet bij elkaar aan tafel en liep tegen een gesloten systeem aan. Het ministerie noemde het “flauwekul”, ondanks de medische achtergronden van de betrokken artsen.
Vervolgens schakelde Koornstra een andere bekende in: Feike Sijbesma, in die periode speciaal gezant corona, en iemand met brede kennis van de farmaceutische industrie vanuit zijn verleden bij DSM. Sijbesma sprak met de artsen, beoordeelde het verhaal en gaf aan dat het zou kunnen werken. Maar hij voegde eraan toe dat het “niet zou lukken”. Er was volgens hem wereldwijd besloten dat hoopgevende medicinale alternatieven tijdelijk moesten worden “weggedrukt”, omdat het cruciaal was dat de focus op vaccinatie bleef.
Volgens het gesprek ging het dus niet alleen om medische argumenten, maar ook om communicatie, strategie en, zoals Sijbesma het schetste, mondiale besluitvorming in crisistijd.
Een persoonlijke nachtmerrie.
Het verhaal krijgt een nog scherpere rand wanneer Koornstra enkele maanden later zelf ernstig ziek wordt. Kort na het overlijden van zijn vader werd hij getroffen door corona. Aanvankelijk maakte hij zich weinig zorgen, maar binnen dagen daalde zijn zuurstofsaturatie naar 72, een levensbedreigend niveau.
Zijn huisarts stuurde hem direct naar de intensive care. Koornstra weigerde, uit angst dat hij daar zou overlijden. In plaats daarvan ging hij naar huis, haalde zuurstof en belde opnieuw de betrokken artsen. Hun reactie was fel: hij had veel eerder moeten bellen.
Volgens Koornstra kreeg hij het medicijn dat zij eerder hadden genoemd. Binnen drie dagen liep hij weer buiten in het park. Zijn herstel was opmerkelijk snel.
Hij vertelt dit feitelijk in de video, zonder medische claims te formuleren, maar als eigen ervaring.
Illegale ritten door het land.
Toen Koornstra hersteld was, ging hij verder met zijn pogingen het middel op de agenda te krijgen. Hij reed zelfs, op eigen initiatief, rond langs intensivecareafdelingen in Nederland, waar artsen die wel geïnteresseerd waren het middel in acute situaties wilden inzetten. Volgens het gesprek uit de video knapten patiënten soms binnen enkele dagen op.
Hij noemt voorbeelden: een man in het Haaglanden Ziekenhuis die volgens artsen stervende was maar na toediening opknapte; zijn eigen sportleraar die nauwelijks nog kon functioneren en dagen later weer liep.
Maar ondertussen bleef het ministerie bij zijn standpunt: “We gaan het niet doen.” De officiële brief die Koornstra ontving bevatte volgens hem een afwijzing die hij als lauw en bureaucratisch ervoer.
Het gesprek met Diederik Gommers.
Gefrustreerd belde Koornstra uiteindelijk zelf Diederik Gommers, die hem uitnodigde dezelfde avond nog langs te komen op het Erasmus MC. Koornstra gaf daar, op basis van de uitleg van de betrokken artsen, een toelichting op de werking van het middel bij hyperinflammatie.
Gommers erkende volgens hem dat het in theorie zou kunnen werken, maar wees ook op de complexiteit. Hij zat in het OMT en kon niet zomaar een afwijkende lijn verkondigen. Er was een “narratief” dat men volgde. Eén persoon kon dat niet veranderen.
Koornstra vertelt dat hij dit respecteerde: Gommers erkende openlijk de beperkingen van het systeem waar hij onderdeel van was.
Oversterfte en het gebrek aan onderzoek.
Later in het gesprek in De Nieuwe Wereld verschuift de toon naar bredere reflectie. Koornstra benadrukt dat hij geen complotten ziet en niets zegt om mensen te beschadigen. Hij gaat uit van goede intenties. Maar hij ziet ook dat in politiek en media weinig ruimte is voor open onderzoek naar wat er nu precies gebeurd is tijdens de pandemie.
Waar komt de oversterfte vandaan? Waarom is er geen parlementair vervolgonderzoek? Waarom worden alternatieve behandelingen, zelfs als ze mogelijk kansrijk zijn, systematisch niet onderzocht?
Het gesprek stelt dat veel van deze kwesties onder het tapijt verdwijnen, uit angst voor reputatieschade of omdat eerdere uitgangspunten dan ter discussie zouden komen te staan.
Communicatie, missie en de noodzaak van lef.
Het gesprek eindigt opvallend genoeg niet bij corona, maar bij een gesprek dat Koornstra ooit had met oud-militairen. Zij legden hem uit dat een missie alleen slaagt wanneer het doel de baas is, niet de regels. Slechts 20 procent van een militaire operatie draait om materieel en soldaten; 80 procent om communicatie. En bovenal: zonder leiderschap en lef lukt het nooit.
Een admiraal vertelde hem dat bevelhebbers soms tegen alle regels in moeten handelen om levens te redden. Als het lukt, zijn ze helden; als het mislukt, staan ze voor de krijgsraad. Maar zonder die bereidheid om buiten kaders te stappen, komt niemand vooruit.
Koornstra trekt in het gesprek de parallel met de coronacrisis: een systeem dat sterk vertrouwt op regels, structuren, vaste processen, maar waarin volgens hem te weinig ruimte was voor dat ene cruciale element: lef aan de bestuurstafels.
Het slot.
Aan het einde van het gesprek in De Nieuwe Wereld blijft een ongemakkelijke vraag hangen: hoe kan een samenleving leren van een crisis wanneer het bereidheid ontbreekt om open te onderzoeken wat er werkelijk gebeurde?
Het verhaal dat Koornstra vertelt, is geen aanklacht maar een getuigenis. Een verslag van pogingen om een mogelijk effectief middel onder de aandacht te brengen. Een persoonlijke ervaring van ziekte en herstel. En een reflectie op een systeem dat tijdens de crisis strak in zijn structuren bleef zitten, misschien te strak.
Hij zegt zelf: Waarom zou ik dit over mezelf afroepen? Niet om gelijk te krijgen, maar omdat hij ziet dat belangrijke vragen blijven liggen. Dat oplossingen soms worden tegengehouden omdat ze niet in het bestaande plaatje passen. Dat systemen zonder lef vastlopen.
Het is geen verhaal van wrok, maar van urgentie. Een pleidooi om alsnog, met open vizier, te onderzoeken wat er gebeurd is en wat er beter kon, en kan. Niet om het verleden te herschrijven, maar om toekomstige crises met meer moed, meer communicatie en vooral meer menselijkheid tegemoet te treden.
Wie de aflevering van De Nieuwe Wereld beluistert, hoort geen sensatie, maar een getuigenis van iemand die midden in de storm stond. Een verhaal over hoe een goedkoop, onbekend middel mogelijk levens redde, en hoe datzelfde middel ondanks alles buiten de officiële kanalen bleef. Een verhaal dat niet pretendeert het antwoord te hebben, maar wel de vragen stelt die gesteld moeten worden.
In een wereld waar systemen soms sterker zijn dan oplossingen, blijft één vraag doorsudderen: hoeveel kansen missen we wanneer lef ontbreekt?
En misschien is dat wel de belangrijkste les uit dit relaas, dat echte verandering niet begint met regels, maar met mensen die durven kijken, durven vragen en durven handelen wanneer het erop aankomt.■
