Het leven als Poel van Ellende: Rypke Zeilmaker over Piet Paaltjens, Friese Romantiek en de Oera Linda.

Rypke Zeilmaker bespreekt Piet Paaltjens, Friese romantiek, existentialisme en de Oera Linda bij Café Weltschmerz.

Dag beste kijkers van Café Weltschmerz. Ik heb een treurige, maar eerlijke en ontnuchterende mededeling: het leven is een poel van ellende, van lijden. Er is ook geen enkele hoop op beter, want vroeg of laat ga je allemaal dood, en daar is niets aan te veranderen. Met die harde openingsstelling begint de YouTube Rapportage gepresenteerd door Cafe Weltschmertz waarin Rypke Zeilmaker zijn boekbespreking wijdt aan François Haverschmidt, beter bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens. Daarmee zet hij direct de toon voor een aflevering die draait om melancholie, existentialisme, Friese romantiek en de vraag hoe een mens betekenis geeft aan een leven dat fundamenteel eindig is.

De uitzending verscheen op 24 april 2026 op het kanaal van Café Weltschmerz, dat 137.000 abonnees telt, en stond in het teken van het “Boek van de Week”. Centraal stonden twee werken: Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens uit 1867 en de Oera Linda, vertaald door Jan Ott, een manuscript in Oud Fries dat de geschiedenis van de Friezen herschrijft tot die van een hoogontwikkeld heidens volk. Daarnaast verwijst Zeilmaker naar hoofdstuk 1 van zijn eigen boek Liever dood dan Slaaf, een Pelgrimstocht door de Friese Natuur op zoek naar Vrijheid, waarin het leven als loonslaaf in de moderniteit centraal staat.

Volgens Zeilmaker is François Haverschmidt één van de weinige echte romantici die Nederland heeft gekend. Onder de naam Piet Paaltjens schreef hij melodramatische gedichten vol zelfspot, melancholie en ironie. Hij was predikant in Friesland, onder meer in Foudgum en Raard, dorpen op de Friese zeeklei. Zijn poëzie draaide om liefde, dood en het lijden aan de wereld. Zeilmaker plaatst hem samen met Slauerhoff in een kleine groep schrijvers die werkelijk de romantische traditie van weldsmert belichaamden.

Hij verzet zich in de uitzending tegen het humanistische idee dat de mens alles kan worden wat hij wil. Volgens hem is dat een illusie. Mensen houden elkaar voortdurend de schijn op, alsof het leven maakbaar is en geluk vanzelfsprekend. Het sociale verkeer wordt door hem vergeleken met toneelspel: iedereen speelt een rol in de hoop op goede recensies. Mensen vragen elkaar hoe het gaat en antwoorden automatisch dat alles goed is, terwijl zij vanbinnen kunnen afsterven.

Vanuit dat uitgangspunt introduceert Rypke wat hij “Fries existentialisme” noemt. Dat existentialisme begint volgens hem bij Piet Paaltjens en diens bundel Snikken en Grimlachjes, die hij omschrijft als het lijden aan de wereld in poëtische vorm. Hij verbindt dat met het bijbelboek Prediker, dat voor hem het enige bijbelboek was waarin hij zich als jongeling thuis voelde. “Alles is ijdelheid, ijdelheid der ijdelheden” vormt daarin de kern. Ook carrière maken wordt door hem teruggebracht tot één simpele formule: sterven met meer spullen.

Hij haalt vervolgens herinneringen op aan zijn studententijd in Wageningen. Daar werkte hij als bijrijder bij voedseltransporten naar bejaardenhuizen. De confrontatie met ouderen die ooit jong, verliefd en vol leven waren, maar nu treurend achter ramen zaten, maakte diepe indruk. Een verkeerde afslag bracht hem zelfs in een mortuarium terecht. Voor hem bevestigde dat dat slogans als “pluk de dag” en “het leven is een feest” vooral lege frasen zijn wanneer men de werkelijkheid van ouderdom en sterfelijkheid onder ogen ziet.

Tijdens zijn studententijd richtte hij ook een filosofieclub op en begon filosofiecursussen te geven. Daar ontdekte hij dat denken zelf onderwerp van denken kan zijn. Hij kwam uit bij Søren Kierkegaard, die hij noemt als een centrale existentialistische denker. Kierkegaard hield zich volgens hem bezig met het rauwe bestaan en de vraag hoe een mens moet leven wanneer comfortzones, culturele gewoontes en zekerheden wegvallen.

Van Kierkegaard loopt de lijn door naar Albert Camus. Volgens Zeilmaker stelde Camus de fundamentele vraag waarom men geen einde aan het leven zou maken. Zijn antwoord lag in vitaliteit en het zelf scheppen van betekenis. De zin van het leven wordt dan simpelweg: zin in het leven. Toch merkt Zeilmaker op dat dit veel eenvoudiger klinkt zolang men gezond is, genoeg te eten heeft en niet wordt getroffen door ziekte, verlies of de aftakeling van ouders. Juist dan wordt men geconfronteerd met wat het leven werkelijk is, zonder opsmuk.

Daar ziet hij de kracht van Piet Paaltjens. Wanneer een mens geconfronteerd wordt met de werkelijkheid van lijden, kan hij volgens hem twee kanten op. Hij kan verdwijnen in psychologisering, zelfbeklag en eindeloos gezeur over zichzelf, of hij kan het lijden benaderen met humor en creativiteit. Zelf kiest hij nadrukkelijk voor dat laatste. Humor voorkomt dat iemand een zwart gat wordt dat alleen nog aandacht voor zichzelf vraagt.

Om dat te illustreren leest hij het gedicht “De Friese Poëet” voor. Daarin reist een dichter op de Harlinger stoomboot over de Zuiderzee van Stavoren naar Enkhuizen. De dichter kijkt melancholisch naar Friesland, rustend tegen de verschansing, starend naar het vaderland dat hij tegelijk liefheeft en veracht. De hofmeester begrijpt niets van zijn dichterlijke smart. Voor Zeilmaker laat dit precies de weltschmertz zien: de melancholicus die zichzelf verheven voelt, maar tegelijkertijd ook spot drijft met die eigen houding.

Dat verbindt hij direct aan de Friese mentaliteit. Volgens hem zijn Friezen vaak anti-romantisch en leven zij met de houding van “best genôch”: het had erger gekund. Friesland werd niet gekozen omdat het een paradijs was, maar omdat niemand anders daar wilde wonen. Het leven tussen zee en water bracht een cultuur van nuchterheid voort. Piet Paaltjens keert zich daar als romanticus juist tegen af en kijkt terug naar een verloren Friese vrijheid en een trotser verleden.

Diezelfde thematiek werkt Zeilmaker uit in zijn eigen boek Liever dood dan Slaaf. Toen hij na jaren in Wageningen en Amsterdam terugkeerde naar Friesland, hoopte hij een oer-Friesland terug te vinden. In plaats daarvan trof hij volgens eigen zeggen vooral dezelfde massamens aan als elders. Daarom wilde hij een ander verhaal scheppen: een heldenverhaal waarin Friezen zich opnieuw konden herkennen, vergelijkbaar met de grote mythische structuren uit Lord of the Rings. Niet carrière of bezit moest centraal staan, maar het opnieuw aanboren van levensenergie en identiteit.

Daarmee komt hij bij de Oera Linda. Dit manuscript in Oud Fries presenteert een alternatieve Friese oergeschiedenis waarin Friezen afstammen van een heroïsch volk, mogelijk zelfs verbonden aan Atlantis of een oorsprong in de Middellandse Zee. Sommigen zien dit als ware geschiedenis die door latere christelijke geschiedschrijving is verdrongen. Een andere theorie, populair gemaakt door het proefschrift van Goffe Jensma, stelt dat François Haverschmidt samen met Eelco Verwijs en Cornelis over de Linden betrokken was bij de constructie van dit manuscript.

Zeilmaker plaatst dat binnen de bredere romantische traditie waarin oude manuscripten werden “gevonden” om een volk opnieuw een groots verleden te geven. Hij verwijst naar Ossian als voorbeeld uit de achttiende eeuw. Volgens hem hadden Friezen zo’n verhaal nodig omdat de Friese vrijheid al eeuwenlang verdwenen was. Een heroïsch verleden zorgt ervoor dat een volk zich opnieuw verbonden voelt met iets groters dan het alledaagse bestaan van werken, consumeren en berusten.

Ook de dood van Piet Paaltjens past volgens hem in dat romantische patroon. Nadat Haverschmidt Friesland verliet en predikant werd in Schiedam, verloor hij zijn vrouw. Uiteindelijk maakte hij zelf een einde aan zijn leven. Daarmee sloot hij zijn bestaan af met wat Zeilmaker omschrijft als een donderend slotakkoord. De romanticus leefde niet alleen zijn melancholie, maar eindigde er ook in.

Het slot van de bespreking keert terug naar de beginstelling. Schaam je niet wanneer je inziet dat het leven lijden is en dat er iets fundamenteel niet klopt. Dat gevoel klopt volgens hem en staat al beschreven in Prediker. Vervolgens is de keuze hoe men ermee omgaat. Men kan erin verdrinken, of men kan het omzetten in creativiteit, humor en een verhaal dat betekenis geeft. Want uiteindelijk, zo besluit hij, is er geen grotere leugen dan objectiviteit: het is de beleving van de werkelijkheid die bepaalt hoe men leeft.

Kortom, het leven is lijden, maar wanneer een mens er met humor, poëzie en verbeelding het beste van maakt, valt het uiteindelijk nog best mee. Tot de volgende keer.■

Rypke Zeilmaker bespreekt Piet Paaltjens, Friese romantiek, existentialisme en de Oera Linda bij Café Weltschmerz.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *