Professor Hanekamp: “Het stikstofdiscours is staatsterrorisme”.

Cartooncollage van professor Jaap Hanekamp in debat over stikstofbeleid, met boerenprotest, AERIUS-model, RIVM, politiek en de metafoor van een “verstikkende deken”.

Wie het debat over stikstof de afgelopen jaren heeft gevolgd, weet hoe hoog de temperatuur kan oplopen. Boerenprotesten, bouwprojecten die stilvallen, miljardenbudgetten voor reductie, juridische uitspraken die beleid onderuithalen, het dossier is uitgegroeid tot een van de meest beladen politieke kwesties van deze tijd. In een interview met Indepen Nieuws stelt professor Jaap C. Hanekamp dat de kern van het probleem niet ligt bij stikstof zelf, maar bij het model dat eraan ten grondslag ligt. Zijn oordeel is scherp: het stikstofdiscours is volgens hem “staatsterrorisme” tegen de agrarische sector, gebaseerd op een model dat de werkelijkheid niet betrouwbaar kan nabootsen.

Dit artikel geeft feitelijk weer wat Hanekamp in het interview uiteenzet. Er wordt geen oordeel toegevoegd, slechts weergegeven wat hij zegt over modellen, wetenschap, beleid, rechtspraak en de bredere cultuur van crisisdenken.

Van chemicus tot criticus.

Jaap C. Hanekamp is van huis uit chemicus en promoveerde in 1992. In 2015 promoveerde hij opnieuw, ditmaal in de theologie en filosofie. Hij verwierf bekendheid door zijn kritische publicaties over het Nederlandse stikstofbeleid, waaronder zijn boek Ammoniak in Nederland. Enkele kritische wetenschappelijke kanttekeningen uit 2016. In januari 2026 verscheen zijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid, Reflecties op het moderne crisisdenken.

In het interview legt hij uit dat zijn betrokkenheid bij stikstof teruggaat tot discussies over “stervende bossen” in eerdere decennia. Gaandeweg verschoof de aandacht van bossterfte naar biodiversiteit en de interactie tussen stikstof en natuur. Samen met landbouwjournalist Geesje Rotgers begon hij rond 2014 opnieuw kritisch te kijken naar stikstofmetingen, emissies, transport en depositie.

Wat hem daarbij vooral trof, was de discrepantie tussen de cijfers zoals gepresenteerd in rapporten en media, en de onzekerheden die volgens hem inherent zijn aan de berekeningen.

AERIUS en de rekenkern OPS.

Centraal in zijn kritiek staat het model AERIUS, dat gebruikmaakt van de rekenkern OPS. Dit model berekent emissies, transport en depositie van stikstofverbindingen vanuit verschillende bronnen — niet alleen landbouw, maar ook industrie en andere activiteiten.

Volgens Hanekamp is dit model gaandeweg bepalend geworden voor vergunningverlening. Wanneer een activiteit volgens het model leidt tot overschrijding van een kritische depositiewaarde in een natuurgebied, kan dat betekenen dat een vergunning wordt geweigerd.

Zijn bezwaar richt zich op de mate van precisie die wordt gesuggereerd. Hij stelt dat elk wetenschappelijk getal een onzekerheidsmarge hoort te hebben. In zijn woorden: wetenschap kan niet zonder bandbreedte. Toch presenteert AERIUS volgens hem exacte waarden, bijvoorbeeld 5,09 mol per hectare per jaar, zonder dat daarbij zichtbaar wordt gemaakt hoe onzeker die waarde is.

Professor Jaap C. Hanekamp noemt dit “schijnprecisie”.

Schattingen als fundament.

Hanekamp beschrijft stikstofberekeningen als een keten van onzekerheden. Het begint bij emissies, die volgens hem al schattingen zijn. Vervolgens wordt het transport door de atmosfeer gemodelleerd, waarbij chemische processen en weersomstandigheden een rol spelen. Daarna wordt de depositie berekend, wat volgens hem nog complexer is.

Hij wijst erop dat het RIVM zelf op zijn website vermeldt dat de onzekerheid bij droge depositie minimaal 124% bedraagt. Tegelijkertijd verschijnen in AERIUS exacte cijfers op kaarten, zonder expliciete onzekerheidsmarge bij elk individueel project.

In zijn optiek is daarmee sprake van een fundamenteel probleem: reductiedoelstellingen, zoals 50% minder stikstof, veronderstellen dat bekend is wat het startpunt is. Volgens hem is dat niet het geval. Als de emissies al schattingen zijn met brede bandbreedtes, en depositie nog onzekerder, dan is volgens hem niet duidelijk wat precies gehalveerd moet worden.

Commissie Hordijk.

Na het wegvallen van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in 2019 werd de Commissie Hordijk ingesteld om de wetenschappelijke onderbouwing van het stikstofbeleid te beoordelen. Hanekamp werd gevraagd om zitting te nemen in deze commissie.

Hij beschrijft zijn rol als relatief beperkt, maar stelt dat hij veel kritische vragen stelde. In het eindrapport concludeerde de commissie dat AERIUS niet geschikt is voor vergunningverlening. Volgens Hanekamp was dat een wezenlijk verschil met eerdere commissies, die volgens hem minder kritisch waren.

Hij stelt dat in de commissie geen experts zaten die de programmeerstructuur van OPS daadwerkelijk konden doorgronden. Het model was volgens hem legacy software uit de jaren tachtig, ontwikkeld door het RIVM, en lange tijd niet publiek toegankelijk. Pas na druk en discussie werd de code beschikbaar gesteld op GitHub.

Validatiestudies.

Een belangrijk punt in het interview betreft de validatiestudies van OPS. Validatie betekent dat een model wordt getest door gemeten data te vergelijken met de uitkomsten van het model. In dit geval gaat het om experimenten waarbij gassen worden vrijgelaten en gemeten, waarna het model dezelfde situatie simuleert.

Volgens Hanekamp werden deze validatiestudies pas na een WOO-verzoek (Wet open overheid) beschikbaar gesteld. Aanvankelijk zou zijn gemeld dat de data niet direct beschikbaar waren; later werden volgens hem de gegevens alsnog verstrekt.

Op basis van die studies concludeert hij dat het model “poorly performs”, het model presteert slecht. Hij benadrukt dat dit de formulering uit de studies zelf is. Volgens hem kon het model de gemeten werkelijkheid niet nauwkeurig reproduceren.

Daarnaast stelt hij dat bij de beoordeling van de modelkwaliteit minimale standaarden zijn gebruikt om het model alsnog acceptabel te verklaren. Hij vergelijkt dit met weermodellen, die volgens hem op veel hogere standaarden worden getoetst.

Professor Hanekamp: “het model kan de werkelijkheid niet betrouwbaar nabootsen”.

Bestuur en rechtspraak.

Hanekamp maakt onderscheid tussen wetenschappelijke kennis en bestuurlijke beslissingen. Volgens hem is het een misvatting om te denken dat kennis automatisch leidt tot beleid.

Professor Hanekamp verwijt bestuurders en rechters dat zij het model gebruiken alsof het harde, precieze waarheid levert. De rechtspraak beroept zich volgens hem vaak op het argument dat AERIUS “het beste is wat we hebben”. Volgens Hanekamp is dat geen geldig argument als het model niet functioneel is voor vergunningverlening.

Hij wijst erop dat ondanks de conclusie van de Commissie Hordijk dat AERIUS ongeschikt is voor vergunningverlening, het model nog steeds wordt gehanteerd.

Drukfactoren en Europese rapportage.

Een ander kernpunt in het interview betreft de manier waarop Nederland omgaat met natuurbeoordeling. Volgens Hanekamp heeft de Europese Commissie meer dan 300 drukfactoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op de staat van instandhouding van natuurgebieden, zoals waterhuishouding, recreatie en beheer.

Hij stelt dat Nederland zich in het binnenlandse debat vrijwel uitsluitend richt op stikstof als dominante factor. Tegelijkertijd zou in rapportages aan Brussel blijken dat de natuur er relatief goed voor staat.

Volgens hem is daarmee sprake van een eenzijdige focus. Hij verwijst naar professor Han Lindeboom, die in een andere context zou hebben gezegd dat er “geen stikstofprobleem” is en dat het goed gaat met de natuur.

De overheid als “complotdenkers”.

In het interview gaat Hanekamp nog een stap verder in zijn analyse van het stikstofbeleid. Hij stelt dat de overheid zich in dit dossier gedraagt als “complotdenkers”. Daarmee bedoelt hij niet dat er volgens hem een geheim plan zou bestaan, maar dat bestuurders volgens hem gevangen zitten in een zelfversterkende redenering.

Hij beschrijft het als volgt: men kiest een model dat volgens hem niet deugt, dat model produceert hoge stikstofdeposities, en vervolgens wordt uit die modeluitkomst geconcludeerd dat de natuur in slechte staat verkeert. Die vermeende slechte staat wordt daarna weer als rechtvaardiging gebruikt om streng beleid te voeren op basis van hetzelfde model.

Volgens Hanekamp ontstaat daarmee een gesloten cirkel: het model bevestigt het probleem, het probleem rechtvaardigt het beleid, en het beleid blijft afhankelijk van het model. Andere verklaringen of bredere drukfactoren worden volgens hem buiten beschouwing gelaten. In die zin noemt hij het een vorm van intern complotdenken: een bestuurlijke werkelijkheid waarin alleen nog wordt gekeken naar stikstof, terwijl alternatieve perspectieven volgens hem structureel worden genegeerd.

Kleine natuurgebieden.

Hanekamp wijst er tevens op dat Nederland veel kleine natuurgebieden heeft aangewezen, die volgens hem te klein zijn om duurzaam in stand te houden volgens Europese criteria. Hij stelt dat Brussel toestaat dat natuurgebieden worden afgeschreven als doelen binnen 30 jaar niet haalbaar blijken.

Volgens hem kiest Nederland ervoor om ondanks die mogelijkheid door te gaan met investeringen in kleine gebieden, wat volgens hem leidt tot hoge kosten in verhouding tot de beoogde baten.

Reductiedoelstellingen en veestapel.

In het interview komt ook de politieke discussie aan bod over reductie van de veestapel. Hanekamp beschouwt dit als een poging om een “modellenwereld” werkelijkheid te maken.

Volgens hem is het idee dat natuur omvalt door stikstof gebaseerd op het model en niet op directe waarneming van natuurtoestand. Hij ziet daarin een vorm van utopisch denken: het streven naar een ideale samenleving op basis van modellen.

“De verstikkende deken”.

In het interview wordt ook verwezen naar uitspraken van Rob Jetten, die sprak over stikstof als een “verstikkende deken” over Nederland. De interviewer legt die metafoor voor aan Hanekamp. Professor Hanekamp reageert daarop door te stellen dat dergelijke beeldspraak volgens hem angst aanjaagt. Hij noemt het “verkopen van angst” en zegt dat het idee van een verstikkende deken niet gebaseerd is op directe waarneming van natuurtoestand, maar op modeluitkomsten. Volgens hem wordt daarmee een dreigingsbeeld gecreëerd dat politiek effectief is, maar wetenschappelijk niet hard kan worden gemaakt zoals wordt gesuggereerd

Scientisme en crisisdenken.

Het gesprek verbreedt zich naar een filosofische beschouwing. Hanekamp introduceert het begrip scientisme: het idee dat wetenschap alles kan beschrijven en verklaren en daarmee maatschappelijke beslissingen kan dicteren.

Volgens Professor Hanekamp is dat een ideologische misvatting. Wetenschap werkt volgens hem op de “vierkante millimeter”: zij onderzoekt specifieke verschijnselen met beperkte reikwijdte. Het samenvoegen van al die kennis tot een totaalbeeld dat als basis dient voor grootschalige maatschappelijke herinrichting noemt hij problematisch.

Hij plaatst stikstof in een breder rijtje van crisisdiscoursen, waaronder klimaat en corona. In al deze gevallen ziet hij een patroon van crisisdenken waarin modellen en experts dominante posities innemen in beleid.

Angst als drijfveer.

Hanekamp stelt dat angst een belangrijke rol speelt in dit proces. Angst voor ziekte, voor natuurverlies, voor klimaatverandering. Volgens hem faciliteert de samenleving dit door sterke nadruk op veiligheid.

In zijn visie ontstaat een wisselwerking tussen bestuurders, wetenschappers en publiek, waarin modellen en cijfers een centrale rol krijgen in politieke besluitvorming.

Staatsterrorisme.

Het zwaarste woord dat hij gebruikt, is “staatsterrorisme”. Daarmee bedoelt hij dat burgers, in dit geval boeren, volgens hem worden getroffen door ingrijpende maatregelen op basis van een model dat niet betrouwbaar functioneert.

Hij vergelijkt dit met de toeslagenaffaire, waarin volgens hem eveneens een model bepalend was voor het labelen van burgers als fraudeur.

Hij stelt expliciet dat zijn oordeel niet gebaseerd is op mening, maar op wat volgens hem uit de validatiestudies blijkt: het model kan niet wat ervan wordt verwacht.

Terug naar de werkelijkheid.

Zijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid beschrijft volgens hem een bredere analyse van crisisdenken, utopie en scientisme. Hij stelt dat het idee van een betere toekomstige wereld diep verankerd is in de westerse geschiedenis en dat moderne beleidsutopieën daar een seculiere voortzetting van zijn.

Volgens hem is het noodzakelijk om wetenschap te erkennen in haar kracht én haar grenzen. Wetenschappelijke kennis is volgens hem waardevol, maar niet identiek aan politieke wijsheid.

Conclusie.

In het interview met Indepen Nieuws ontvouwt professor Jaap Hanekamp een fundamentele kritiek op het Nederlandse stikstofbeleid. Zijn betoog draait om de stelling dat het centrale model, AERIUS met rekenkern OPS, niet in staat is de werkelijkheid betrouwbaar te reproduceren. Toch vormt het model de basis voor vergunningverlening en ingrijpende beleidsmaatregelen.

Hij wijst op onzekerheden in emissies, transport en depositie, op validatiestudies die volgens hem slechte modelprestaties aantonen, op eenzijdige focus op stikstof ten koste van andere drukfactoren, en op een bredere cultuur van scientisme en crisisdenken.

Zijn woorden zijn scherp, zijn analyse breed. Maar zijn centrale boodschap is eenvoudig geformuleerd: beleid moet gebaseerd zijn op wat modellen daadwerkelijk kunnen, en niet op wat men ervan verwacht.■

Bron: Indepen Nieuws.

Cartooncollage van professor Jaap Hanekamp in debat over stikstofbeleid, met boerenprotest, AERIUS-model, RIVM, politiek en de metafoor van een “verstikkende deken”.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *