De toekomst als geloof: waarom goede bedoelingen niet genoeg zijn.

Cinematische symbolische afbeelding over Rypke Zeilmaker en Roger Scruton, met de tegenstelling tussen politiek utopisme en gezond pessimisme, een gokautomaat met het woord HOPE, revolutionaire symboliek, wegwijzers naar utopie, maakbaarheid, controle, gelijkheid en dwang, en een zonnig landschap met windmolens en de historische Italiaanse stad Florence.

Rypke Zeilmaker over Roger Scruton, revolutionaire idealen en de prijs van een wereld zonder grenzen.

De gevaarlijkste politieke belofte is misschien wel de belofte dat alles goed komt. Niet omdat een betere toekomst onwenselijk zou zijn, maar omdat de overtuiging dat zij maakbaar is, mensen blind kan maken voor de gevolgen van hun eigen plannen. Eerst is er een ideaal. Dan volgt de belofte dat het bereikbaar is. Wanneer de werkelijkheid tegenwerkt, wordt het plan niet noodzakelijk herzien. Soms wordt juist degene die waarschuwt het probleem. De toekomst moet worden gered, desnoods tegen de mensen in wier naam zij wordt gebouwd. Die paradox staat centraal in een uitzending van Café Weltschmerz van 9 oktober 2026, waarin Rypke Zeilmaker het werk bespreekt van de Britse filosoof Roger Scruton. Diens boek The Uses of Pessimism, and the Danger of False Hope vormt de aanleiding voor een betoog over politiek optimisme, revolutionaire denkbeelden en de grenzen van menselijke maakbaarheid. Zeilmaker zoekt de overeenkomst tussen grote maatschappelijke idealen en een herkenbare menselijke neiging: geloven in de gewenste uitkomst, zelfs wanneer de ervaring reden geeft om eraan te twijfelen. De inzet is niet de vraag of vooruitgang mogelijk is. Het gaat om iets fundamentelers: wat gebeurt er wanneer het geloof in vooruitgang belangrijker wordt dan de bereidheid om fouten te erkennen? In Zeilmakers lezing van Scruton begint het gevaar wanneer een ideaal niet langer wordt behandeld als een streven dat aan de werkelijkheid moet worden getoetst, maar als een waarheid waaraan de werkelijkheid zich behoort aan te passen.

De gokker die blijft inzetten.

Scruton beschrijft volgens Zeilmaker een optimisme dat doet denken aan de mentaliteit van een gokverslaafde. De gokker blijft geld in een fruitautomaat werpen, overtuigd dat de volgende poging eindelijk de grote winst zal opleveren. Dat eerdere pogingen niets hebben opgeleverd, verandert weinig aan zijn verwachting. De mogelijkheid van verlies verdwijnt naar de achtergrond; de hoop op winst bepaalt het gedrag. In de politiek kan volgens Zeilmaker hetzelfde mechanisme optreden. Een ambitieus plan wordt gepresenteerd met een aantrekkelijk einddoel. Wanneer de resultaten tegenvallen, volgt niet vanzelf een heroverweging van de uitgangspunten. In plaats daarvan wordt de inzet verhoogd. Er komen aanvullende maatregelen, nieuwe beloften en grotere inspanningen. Het doel blijft onaangetast, terwijl de werkelijkheid steeds nadrukkelijker laat zien dat de weg ernaartoe niet vanzelfsprekend is. Daarmee ontstaat een merkwaardige omkering. In een rationele beoordeling zijn tegenvallers aanleiding om te onderzoeken of de aannames kloppen. In het soort optimisme dat Scruton bekritiseert, kunnen tegenvallers juist worden aangegrepen om nog fanatieker door te gaan. De mislukking wordt niet gezien als mogelijke informatie over het plan, maar als bewijs dat de uitvoering nog onvoldoende is geweest. Zeilmaker benadrukt dat deze neiging niet aan één politieke richting is gebonden. Ook de gedachte dat absolute veiligheid kan worden bereikt door steeds verdergaande maatregelen te nemen, kan volgens hem op een utopie berusten. Het verlangen naar zekerheid is begrijpelijk, maar de overtuiging dat ieder risico kan worden uitgebannen, miskent de grenzen van wat mensen kunnen beheersen. Hier ligt het onderscheid tussen gezond pessimisme en zwartgalligheid. De pessimist hoeft niet te verwachten dat alles misgaat. Hij weigert alleen de mogelijkheid van mislukking bij voorbaat uit te sluiten. Hij houdt rekening met de ervaring dat plannen onvoorziene gevolgen kunnen hebben en dat goede bedoelingen geen garantie bieden voor goede resultaten. Juist daardoor kan hij eerder herkennen wanneer bijsturing nodig is.

De criticus als vijand.

Het probleem wordt ernstiger wanneer een ideaal niet alleen tegenvallers moet verwerken, maar ook kritiek niet meer verdraagt. Zeilmaker noemt termen als ‘klimaatontkenner’, ‘complotdenker’, ‘Russische desinformatie’ en ‘anti-institutioneel extremisme’. Volgens hem kunnen zulke kwalificaties worden ingezet om mensen die gevestigde opvattingen of beleidsplannen ter discussie stellen, verdacht te maken. De inhoudelijke vraag raakt dan op de achtergrond. Klopt het argument? Zijn de cijfers overtuigend? Is de gekozen aanpak haalbaar? In plaats daarvan verschuift de aandacht naar de persoon die de vragen stelt. Wie als onbetrouwbaar is bestempeld, moet eerst zijn eigen legitimiteit verdedigen voordat zijn argumenten serieus worden onderzocht. Dat is iets anders dan beweren dat iedere criticus gelijk heeft. Ook oppositie kan ongelijk hebben, en beweringen moeten worden getoetst. Maar die toetsing verliest haar waarde wanneer een politiek etiket de plaats inneemt van een inhoudelijke weerlegging. Een beleid dat bestand is tegen kritiek, moet kunnen uitleggen waarom het werkt, welke onzekerheden bestaan en hoe met tegenvallende resultaten wordt omgegaan. Volgens Zeilmaker kan het omgekeerde gebeuren: hoe meer een utopisch plan onder druk komt te staan, des te sterker wordt de neiging om de tegenstand als oorzaak van het probleem aan te wijzen. De mogelijkheid dat de uitgangspunten zelf tekortschieten, raakt daardoor verder uit beeld. Hier wordt Scrutons waarschuwing politiek relevant. Een ideaal dat zichzelf niet laat corrigeren, kan steeds verdergaande middelen rechtvaardigen. De verdediging van de goede bedoeling wordt dan belangrijker dan de beoordeling van de werkelijke gevolgen. En zodra kritiek als vijandigheid wordt behandeld, verliest een samenleving een van haar belangrijkste instrumenten om fouten te ontdekken voordat ze zich opstapelen.

De energietransitie en het geloof in maakbaarheid.

Voor Zeilmaker komt deze spanning scherp naar voren in de energietransitie. Hij bekritiseert de verwachtingen achter plannen voor de toekomst, waaronder omgevingsvisies voor 2050 die volgens hem de leefomgeving ingrijpend willen veranderen. In zijn ogen dreigt het gewenste eindbeeld de plaats in te nemen van een realistische beoordeling van de weg ernaartoe. Een energievoorziening is immers geen papieren ideaal. Zij moet functioneren binnen een economie die energie nodig heeft om te produceren, te vervoeren en het dagelijks leven mogelijk te maken. Wie bestaande energiebronnen wil vervangen, moet daarom niet alleen beschrijven wat het einddoel is, maar ook aantonen hoe de overgang haalbaar wordt, welke afhankelijkheden blijven bestaan en wat er gebeurt wanneer de verwachtingen niet uitkomen. Zeilmaker wijst op de blijvende rol van olie en gas in de wereldeconomie en op de uitbreiding van de kolencapaciteit in China. Hij gebruikt deze voorbeelden om de spanning te benadrukken tussen de ambities van het klimaatbeleid en de internationale werkelijkheid. Zijn bezwaar richt zich op de verwachting dat een gewenste uitkomst door politieke besluitvorming vanzelf dichterbij komt, ook wanneer de praktische voorwaarden daarvoor onvoldoende duidelijk zijn. Daarbij moeten twee vragen uit elkaar worden gehouden. Is het doel wenselijk? En is de gekozen aanpak geschikt om het te bereiken? Die vragen zijn niet hetzelfde. Wie kritiek op de uitvoering automatisch beschouwt als verzet tegen het doel, maakt het vrijwel onmogelijk om het beleid te verbeteren. Een ambitie kan overeind blijven terwijl de middelen worden aangepast. Dat vraagt echter om de bereidheid toe te geven dat een oorspronkelijke aanpak tekort kan schieten. Precies die bereidheid staat in het betoog ter discussie. De kern van Scrutons waarschuwing, zoals Zeilmaker die naar voren brengt, is niet dat iedere grote verandering gedoemd is te mislukken. Het is dat een overtuigend toekomstbeeld nooit het bewijs kan vervangen dat de gekozen weg daadwerkelijk werkt.

De revolutie die vrijheid beloofde.

Om de oorsprong van het revolutionaire denken te duiden, grijpt Zeilmaker terug op Jean-Jacques Rousseau en de Franse Revolutie van 1789. Hij beschrijft Rousseaus invloed als een belangrijke bron van het idee dat cultuur, beschaving en bestaande instituties de mens beperken in zijn natuurlijke ontwikkeling. Wanneer die beperkingen verdwijnen, zo luidt de belofte, kan de mens een vrijer en beter bestaan bereiken. De leus van de Franse Revolutie, ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’, verwoordde idealen die grote aantrekkingskracht hadden. Maar Zeilmaker wijst op de spanning die erin besloten ligt. Wanneer mensen vrij zijn hun eigen doelen na te streven, zullen zij niet noodzakelijk dezelfde keuzes maken of dezelfde resultaten bereiken. De vrijheid om uiteenlopende wegen te bewandelen kan daardoor botsen met de wens om iedereen op een gelijk eindpunt te laten uitkomen. In zijn interpretatie ligt het gevaar niet in het streven naar vrijheid of rechtvaardigheid als zodanig, maar in de overtuiging dat tegenstrijdige belangen en beperkingen door een nieuw maatschappelijk ontwerp kunnen worden opgeheven. Wanneer het beloofde resultaat uitblijft, kan de oorzaak worden gezocht bij degenen die de verwezenlijking ervan zouden tegenhouden. De revolutionaire beweging raakt dan verstrikt in een paradox: in naam van de bevrijding kan zij steeds verdergaande dwang gaan rechtvaardigen. Zeilmaker trekt een vergelijking met hedendaagse politieke discussies waarin tegenstanders van een beleidskoers worden afgeschilderd als saboteurs of verspreiders van vijandige beïnvloeding. Die vergelijking betekent niet dat de huidige situatie gelijkstaat aan de Franse Revolutie. Ze onderstreept wel een terugkerend risico: wanneer het ideaal boven discussie wordt verheven, kan de bestrijding van weerstand belangrijker worden dan het toetsen van de oorspronkelijke belofte. De geschiedenis dient in die redenering niet als bewijs dat iedere hervorming verkeerd afloopt, maar als waarschuwing tegen de gedachte dat een goede bedoeling de gekozen middelen automatisch rechtvaardigt. Wie een samenleving wil verbeteren, moet ook bereid zijn te onderzoeken wat zijn plannen kunnen beschadigen.

Vrijheid heeft voorwaarden.

Een van de centrale ideeën die Zeilmaker aan Scruton ontleent, is dat vrijheid niet simpelweg ontstaat wanneer alle grenzen verdwijnen. Grenzen, instituties en tradities worden in een revolutionaire denkwijze gemakkelijk voorgesteld als obstakels tussen de mens en zijn ontplooiing. Maar volgens de redenering in het gesprek kunnen zulke structuren ook de voorwaarden vormen waaronder vrijheid mogelijk wordt. Regels maken het mogelijk om samen te leven zonder dat iedere onderlinge verhouding telkens opnieuw moet worden uitgevochten. Tradities kunnen ervaringen bevatten die niet eenvoudig in een nieuw ontwerp zijn vast te leggen. Instituties kunnen tekortkomingen hebben, maar tegelijk functies vervullen die pas zichtbaar worden wanneer ze verdwijnen. Dat maakt ze niet onaantastbaar. Het maakt een zorgvuldige beoordeling noodzakelijk. Zeilmaker verbindt vrijheid bovendien met inspanning, discipline en verantwoordelijkheid. Vrijheid is in deze opvatting niet alleen de afwezigheid van beperkingen, maar ook het vermogen om de beschikbare ruimte op een zinvolle manier te gebruiken en rekening te houden met anderen. Wie iedere grens als een onrecht beschouwt, kan uiteindelijk de voorwaarden ondermijnen die het samenleven mogelijk maken. Hij illustreert dat met het beeld van iemand die onbeperkt door een woestijn kan lopen, maar uiteindelijk van dorst omkomt. De afwezigheid van beperkingen biedt weinig wanneer de omstandigheden ontbreken om daadwerkelijk iets te bereiken. Vrijheid heeft daarom niet alleen ruimte nodig, maar ook een omgeving waarin mensen die ruimte kunnen benutten. De vraag is dus niet of grenzen altijd goed zijn. De vraag is welke grenzen bescherming bieden, welke hun functie hebben verloren en wat er gebeurt wanneer ze worden opgeheven. Dat onderscheid verdwijnt wanneer vernieuwing een doel op zichzelf wordt.

Dezelfde belofte in de opvoeding.

Zeilmaker ziet dezelfde denkfout terug in de opvoeding. Hij bekritiseert het idee dat kinderen zich vanzelf optimaal ontwikkelen wanneer volwassenen zo weinig mogelijk beperkingen opleggen. Daarin herkent hij de overtuiging dat de menselijke natuur in wezen goed is en vooral door de omgeving wordt belemmerd. Maar opvoeden betekent volgens de redenering die hij uiteenzet niet alleen ruimte geven. Het vraagt ook om grenzen, zelfbeheersing en het leren omgaan met teleurstellingen. Een kind dat zelfstandig moet worden, krijgt niet uitsluitend te maken met kansen, maar ook met regels en de belangen van anderen. Niet iedere wens kan worden vervuld en niet ieder ongemak kan worden weggenomen. Daarmee is niet gezegd dat iedere beperking verstandig is of dat oude opvoedingsmethoden moeten worden hersteld. Het gaat om het onderscheid tussen grenzen die ontwikkeling ondersteunen en beperkingen die haar onnodig belemmeren. Wie ervan uitgaat dat iedere grens schadelijk is, loopt het risico kinderen onvoldoende voor te bereiden op een werkelijkheid die niet volledig naar hun wensen kan worden ingericht. Ook hier botst het ideaal met de praktijk. De belofte dat alle mogelijkheden vanzelf tot bloei komen wanneer barrières verdwijnen, houdt onvoldoende rekening met de rol van oefening, verantwoordelijkheid en ervaring. Wat in de opvoeding geldt, raakt daarmee aan dezelfde vraag die in het politieke betoog centraal staat: kunnen mensen zich ontwikkelen wanneer iedere weerstand wordt beschouwd als iets wat moet worden verwijderd?

Wat niet opnieuw ontworpen hoeft te worden.

Tegenover de drang om de wereld opnieuw vorm te geven, plaatst Zeilmaker zijn waardering voor historische Italiaanse steden als Lucca en Florence. Hun schoonheid ziet hij als het resultaat van wat eerdere generaties hebben opgebouwd en doorgegeven. De aantrekkingskracht ligt niet alleen in afzonderlijke gebouwen, maar ook in de samenhang die in de loop van de tijd is ontstaan. Dat voorbeeld geeft zijn pleidooi voor behoud een concrete betekenis. Een stad is geen leeg terrein waarop een nieuw ontwerp zonder gevolgen kan worden uitgerold. Haar karakter bestaat uit relaties tussen gebouwen, straten en pleinen, gevormd door een geschiedenis die zich niet laat vervangen door één theoretisch plan. Het verleden is daarmee niet automatisch beter dan het heden. Maar wie bestaande structuren uitsluitend beoordeelt op hun beperkingen, kan verliezen wat niet eenvoudig opnieuw te maken is. Vernieuwing vraagt daarom niet alleen om de vraag wat anders kan, maar ook om het inzicht wat waardevol is en behouden moet blijven. In die gedachte ligt een wezenlijk alternatief voor het geloof in totale maakbaarheid. Niet iedere verbetering vereist een breuk met wat eraan voorafging. Soms is vooruitgang juist afhankelijk van zorgvuldig onderhoud, aanpassing en respect voor wat al waarde heeft.

De prijs van een onbetwijfelbare toekomst.

Aan het einde van zijn bespreking keert Zeilmaker terug naar Scrutons centrale waarschuwing. Pessimisme hoeft niet te betekenen dat verandering zinloos is of dat de toekomst alleen maar achteruitgang brengt. Het kan juist helpen om onderscheid te maken tussen een wenselijke ambitie en een plan dat de werkelijkheid onvoldoende serieus neemt. Wie rekening houdt met mislukking, kan eerder bijsturen. Wie tradities en instituties niet automatisch als hindernissen beschouwt, kan beter beoordelen wat verandering werkelijk oplevert. En wie kritiek niet bij voorbaat als vijandigheid behandelt, houdt de mogelijkheid open dat juist een tegenstander iets zichtbaar maakt wat de voorstanders over het hoofd hebben gezien. Zeilmaker noemt zichzelf liever ‘pessimist tot in de kist’. Achter die formulering staat geen oproep om iedere hoop op te geven. Hij benadrukt juist de waarde van het goede, het ware en het schone dat al bestaat en door eerdere generaties is opgebouwd. De toekomst verdient aandacht, maar mag niet zo belangrijk worden dat het heden en het verleden hun betekenis verliezen. Daarmee krijgt pessimisme een andere functie dan het woord doorgaans suggereert.

Het is geen weigering om vooruit te kijken, maar een weigering om de toekomst alvast tot winnaar uit te roepen. Het is de bereidheid te erkennen dat een plan kan falen, dat grenzen soms noodzakelijk zijn en dat goede bedoelingen niet ontslaan van de plicht om de gevolgen te onderzoeken. Want zodra een ideaal niet meer hoeft te bewijzen dat het werkt, maar alleen nog eist dat iedereen erin gelooft, is de belofte van een betere wereld veranderd in een gevaarlijke vrijbrief.■

Bron: Café Weltschmerz Podcast

Cinematische symbolische afbeelding over Rypke Zeilmaker en Roger Scruton, met de tegenstelling tussen politiek utopisme en gezond pessimisme, een gokautomaat met het woord HOPE, revolutionaire symboliek, wegwijzers naar utopie, maakbaarheid, controle, gelijkheid en dwang, en een zonnig landschap met windmolens en de historische Italiaanse stad Florence.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *