Over staatsterreur, scientisme en de grens van de wetenschap.
Goedenavond beste kijkers van Café Weltschmertz. Oftewel onze complotdenkers, Alu hoedjes, mensen die overal wat achterzoeken. Vandaag zit er niet één kalem met Baard* in de studio, maar we hebben er zelfs twee.
Met deze ironische, zelfrelativerende opening begint een gesprek dat al snel uitgroeit tot een diepgravende beschouwing over wetenschap, beleid en de menselijke neiging tot het bouwen van ideale werelden. In de YouTube-clip van Cafe Weltschmertz gaat Rypke Zeilmaker in gesprek met Jaap C. Hanekamp, gepromoveerd chemicus én theoloog, over diens boek Vertrouwd met de Werkelijkheid. Wat volgt is geen polemiek, maar een systematische uiteenzetting van de argumenten zoals ze in het gesprek worden verwoord.
*“kale man met baard”
Hanekamp wordt geïntroduceerd als iemand die zowel in het “verticale” als in het “horizontale” domein is doorgeleerd: theologie en chemie. Het boek dat centraal staat, is volgens hem een verdichting van eerder academisch werk, waarin hij reflecteert op modern crisisdenken, wetenschapsfilosofie en utopisme.
Van zure regen naar stikstof.
Het gesprek opent inhoudelijk bij de geschiedenis van het zure-regenverhaal. In de jaren tachtig en negentig heerste volgens de gesprekspartners het beeld dat ammoniakuitstoot uit de veehouderij zou leiden tot grootschalige bossterfte. Er werd geschreven over scenario’s waarin binnen tien jaar de bossen verdwenen zouden zijn. Hanekamp vertelt dat hij in 1996, samen met andere hoogleraren, werd gevraagd om het ammoniakvraagstuk nader te bestuderen in het kader van interimwetgeving.
Volgens zijn relaas bleek dat het bossterfteverhaal op dat moment al wetenschappelijk was verlaten. Hij verwijst naar publicaties waarin eerdere aannames werden herzien, en beschrijft een bijeenkomst in Nieuwspoort waar volgens hem snel consensus ontstond dat het bossterftenarratief niet langer houdbaar was. De verbijstering in de zaal, onder boeren en andere betrokkenen, werd in het gesprek benadrukt: er waren inmiddels miljarden geïnvesteerd in emissiebeperkende maatregelen.
Wat resteerde van het oorspronkelijke probleem, zo wordt gesteld, was een verschuiving van bossterfte naar biodiversiteit. Stikstofdepositie werd niet langer primair gekoppeld aan stervende bossen, maar aan verschraling van plantengemeenschappen en mogelijke aantasting van specifieke natuurtypen.
AERIUS en de kritische depositiewaarde.
Vanaf 2014, zo vertelt Hanekamp, raakte hij opnieuw betrokken bij het stikstofdossier, onder meer via de analyse van het rekenprogramma AERIUS. Dat model berekent stikstofdepositie op natuurgebieden en koppelt daaraan de zogeheten kritische depositiewaarden (KDW’s). Deze waarden fungeren als risicogetallen: wanneer depositie boven een bepaalde norm uitkomt, neemt de kans toe dat ecologische schade optreedt.
In het gesprek worden namen genoemd van ecologen die veel werk hebben verricht rond deze normen. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat het probleem volgens Hanekamp niet in het ecologisch onderzoek zelf zit. Hij noemt het legitiem en interessant dat ecologen de impact van nutriënten op ecosystemen onderzoeken.
Het punt van kritiek ligt elders: bij de vertaling van wetenschappelijke risicogetallen naar dwingende overheidsnormen. Het is die stap die hij problematisch noemt. Hier introduceert hij een centrale gedachte uit zijn boek: kennis is niet hetzelfde als besluitvorming.
De dobbelsteen en de denkfout.
Om dit onderscheid te verduidelijken, gebruikt Hanekamp een voorbeeld dat hij ook in colleges hanteert. Een dobbelsteen is een model. Iedereen weet dat bij een eerlijke dobbelsteen de kans op een zes één zesde is. Die kennis is exact. Maar het feit dat men die kansverdeling kent, betekent niet dat men verplicht is naar een casino te gaan en geld in te zetten.
Volgens hem wordt in het publieke debat vaak de stap gezet van kennis naar dwingend handelen. Wetenschappelijke kennis wordt gepresenteerd als normatieve grondslag voor beleid. Die overgang noemt hij een drogreden.
Deze denkfout, kennis gelijkstellen aan beslissingen, ziet hij volgens eigen zeggen terug in meerdere beleidsdossiers, waaronder klimaat- en stikstofbeleid. Het idee dat wetenschap alles kan beschrijven, verklaren en voorschrijven, duidt hij aan met de term “scientisme”.
Scientisme als verabsolutering.
Scientisme wordt in het gesprek omschreven als het opblazen van wetenschap tot een allesomvattend verklaringskader. Wetenschap kan volgens Hanekamp veel, maar niet alles. Zij werkt per definitie op de “vierkante millimeter”: gespecialiseerd, begrensd, gefocust.
Het probleem ontstaat wanneer die beperkte kennis wordt opgevat als volledige werkelijkheid. Wanneer modellen, die per definitie reducties zijn van de werkelijkheid, worden behandeld alsof zij de werkelijkheid zelf zijn, ontstaat volgens hem een versmalling van perspectief.
In dit kader verwijst hij naar klimaatmodellen: deze leveren scenario’s op, maar scenario’s zijn geen beslissingen. Het bestaan van een model met bepaalde uitkomsten impliceert niet automatisch dat de gehele maatschappij zich daaraan moet onderwerpen.
Utopie en geweld.
Het gesprek verbreedt zich vervolgens naar het begrip utopie. Hanekamp verwijst naar Thomas More’s Utopia, dat letterlijk “nergensland” betekent. Volgens hem bevat het oorspronkelijke utopische denken een element van dwang: wanneer een ideale samenleving is gedefinieerd, is afwijking daarvan per definitie verkeerd.
Hij stelt dat geweld, in verschillende vormen, een structureel onderdeel is van utopisch denken. Dat geweld hoeft niet fysiek te zijn; het kan ook sociologisch of intellectueel zijn, bijvoorbeeld in het wegzetten van critici als irrationeel of onwetenschappelijk.
In de discussie over stikstof en klimaat wordt volgens hem soms een moreel absolute positie ingenomen: het ideale einddoel staat vast, en wie het tempo of de middelen ter discussie stelt, wordt gezien als tegenstander van het goede.
Het goede en het kwade.
Hanekamp verwijst in dit verband naar de filosoof Karl Popper. Volgens Popper kunnen mensen het absolute goede niet volledig definiëren. Wat zij wel kunnen, is het kwade of het schadelijke adresseren op concreet niveau.
Als voorbeeld noemt Hanekamp zijn ervaring met een gezinshuis voor tieners. Het is mogelijk om te erkennen dat het slaan van kinderen verkeerd is. Maar het is niet mogelijk om het absolute goede voor ieder individu volledig te definiëren en op te leggen.
Deze gedachte wordt gepresenteerd als tegenhanger van utopisme: in plaats van het najagen van een abstract ideaal, kan men zich richten op het beperken van concreet onrecht.
Herman Kahn en de klacht van de expert.
Een ander historisch voorbeeld dat wordt besproken, is systeemanalist Herman Kahn en diens boek On Thermonuclear War uit 1962. Kahn onderzocht scenario’s rond nucleaire oorlog en klaagde dat beleidsmakers niet naar zijn analyses luisterden.
Volgens Hanekamp is dit een terugkerend patroon: experts ontwikkelen modellen, concluderen wat er moet gebeuren, en ervaren politieke terughoudendheid als ontkenning van wetenschap. Die klacht: “waarom luistert niemand?”; ziet hij ook in hedendaagse debatten.
Vertrouwd met de werkelijkheid.
De titel van het boek vormt volgens Hanekamp een rode draad. Als chemicus leerde hij nauwkeurig waarnemen. In een laboratorium moet men goed kijken, luisteren en observeren om veilig en correct te werken.
Volgens hem worden mensen in het huidige discours echter aangespoord om hun directe waarneming te wantrouwen. Modellen zouden beter weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit dan wat men zelf ziet en ervaart.
Hij noemt als historisch voorbeeld het jaar 536, waarin vulkanische uitbarstingen volgens historische bronnen leidden tot misoogsten, kou en hongersnood. Dat was een tastbare crisis, ervaren door mensen zelf. Daartegenover plaatst hij hedendaagse crises die volgens hem vooral modelmatig worden geprojecteerd op de toekomst.
Materialisme en ontmenselijking
Het gesprek krijgt een filosofische verdieping wanneer Hanekamp spreekt over materialisme en naturalisme als dominante wereldbeelden. Wanneer de mens uitsluitend wordt opgevat als materie, zo stelt hij, vervalt de transcendente dimensie.
Hij verwijst naar C.S. Lewis en diens werk The Abolition of Man. Als de mens zichzelf reduceert tot materie, zal hij volgens Lewis ook als materie worden behandeld. Hanekamp noemt de Eerste Wereldoorlog als historisch voorbeeld van industriële ontmenselijking.
Daarnaast bespreekt hij de menselijke capaciteit om in termen van oneindigheid te denken, iets wat volgens hem niet volledig verklaard kan worden vanuit materiële begrenzing. Deze gedachte wordt gebruikt om te betogen dat de mens meer is dan biochemie alleen.
Veiligheid en controle.
Tot slot komt het thema veiligheid aan bod. Volgens Hanekamp is veiligheid in de moderne samenleving tot een allesoverheersende waarde geworden. Hij benadrukt dat veiligheid belangrijk is, maar stelt dat het menselijk bestaan nooit volledig veilig is geweest en dat ook nooit zal worden.
Het streven naar volledige beheersing van de toekomst via modellen en beleid noemt hij een vorm van controlezucht die voortkomt uit een materialistisch wereldbeeld waarin het verlengen en optimaliseren van het aardse leven centraal staat.
Slot.
In het gesprek, zoals vastgelegd in de YouTube-rapportage van Cafe Weltschmertz, ontvouwt zich stap voor stap een betoog dat wetenschap waardeert, maar haar begrenzing benadrukt; dat modellen erkent, maar hun normatieve vertaling betwist; dat idealen bespreekt, maar de dwang ervan bevraagt.
Feitelijk weergegeven komt het neer op een oproep tot onderscheid: tussen kennis en macht, tussen model en werkelijkheid, tussen ideaal en ervaring.
En daarmee eindigt het gesprek bij een gedachte die door het hele betoog heen klinkt: wie zorgvuldig leert kijken, kan midden in crisisverhalen ontdekken dat de werkelijkheid weerbarstig, complex en niet volledig modelleerbaar is, maar wel, in al haar begrensdheid, vertrouwd.■
Bron: Cafe Weltschmertz met als presentator Rypke Zeilmaker.

2 gedachten over “Vertrouwd met de werkelijkheid.”