De ontsnapping.
Toen Joris Rietveld in oktober 2016 van tafel opstond, zag hij het bord voor zich in de bek van de leraar rammen. Tot aan de nekwervels. Hij zat ernaast. Hij deed het niet. Hij stond ijskoud op. Gaf de man nog wat te drinken. Zei dat hij ging werken. Hij reed naar de wietplantage. Daar sloeg hij de heleboel kort en klein. De volgende dag zei hij dat hij niet meer kwam. De leraar kwam hem de les leren. Rietveld had niets meer om vast te houden.
“Maak me dan dood.”
Daar draaide het om. De leider zat ineens als een klein mannetje met traantjes op de bank. Daar verloor Rietveld alle angst. Dat moment, beschreven in de YouTube-reportage van The Trueman Show, gepresenteerd door Jorn Luca, was geen plan. Het was een breaking point na jaren waarin zijn brein volgens hem een droge spons was geworden. Geen eigen gedachte meer. Nauwelijks identiteit.
Hij was 42 toen hij eruit rolde. Met veel minder dan nul. De jaren waarin anderen een studie, een gezin en een bestaan opbouwen, waren voorbij. Achter hem lagen volgens zijn telling tien tot twaalf jaar samenleven in de groep, en veel langer de constante kramp van overleving. Twaalf, vijftien, zeventien jaar cortisol*, adrenaline, mentale druk.
*”Zeventien jaar cortisol” is een figuurlijke manier om te zeggen dat iemand zeventien jaar lang onder chronische, extreme stress heeft gestaan.
De kungfuschool in Boxmeer was toen allang geen sportschool meer. Wat daarvoor vandaan kwam, begon bij een zoekende jongen van vierentwintig. Die jongen dacht dat hij een richting had gevonden. Hij wist nog niet dat de richting hem al had ingesloten.
Het begin.
Rietveld is inmiddels 51 jaar. Na zijn schooltijd trok hij de wereld in. Hij reisde veel, zocht avontuur en voelde weinig voor het standaardpad van studeren, werken, een carrière opbouwen en uiteindelijk met pensioen gaan. Hij leefde vrij, gebruikte veel marijuana en zag van alles, maar innerlijk veranderde er weinig. Achteraf zegt hij dat hij vooral rondzwierf zonder echte richting.
Die richting leek hij te vinden toen hij een kungfuleraar ontmoette.
De boodschap sprak hem direct aan: ontwikkeling via discipline. Trainen van het lichaam om de geest te vormen. Het ego overwinnen. Op zoek gaan naar iets dat dieper lag dan het alledaagse bestaan. Voor iemand die al jaren op zoek was naar antwoorden klonk dat aantrekkelijk.
Rietveld groeide op in een antroposofisch gezin, waar vragen over zingeving, bewustzijn en persoonlijke ontwikkeling vanzelfsprekend waren. Er was veel ruimte voor eigen ontdekking, maar minder voor duidelijke grenzen. Juist daarom maakte de leraar indruk. Hij sprak met overtuiging, gebruikte heldere taal en leek antwoorden te hebben op vragen waar Rietveld al jaren mee rondliep: wat is de betekenis van het leven, waarom zijn we hier en hoe ontwikkel je jezelf als mens?
De eerste training vond plaats in een eenvoudige sportzaal. Rietveld had op dat moment nauwelijks iets met vechtsport. Wat hem vooral opviel, was de uitstraling van de leraar. Tijdens de les foeterde hij een leerling uit die zijn autoriteit in twijfel leek te trekken.
“Betwijfel je mijn kunde?”
Volgens de leraar rustte die kunde op eeuwenoude kungfutradities en kennis die duizenden jaren terugging. Het klonk rauw, zelfverzekerd en authentiek. Op Rietveld maakte het indruk.
“Als ik iets wil leren, moet ik hier zijn,” dacht hij.
Na twee of drie jaar trainen ontstond de behoefte om verder te kijken dan de fysieke oefeningen. Hij wilde begrijpen hoe het leven in elkaar zat en hoe mensen zich ontwikkelen. Hij vergeleek zichzelf met de man uit oude verhalen die dagenlang voor de poort van een klooster blijft liggen, wachtend tot hij wordt toegelaten tot een diepere waarheid.
Volgens Rietveld had de leraar een feilloos gevoel voor mensen. Hij wist precies wie hij voor zich had en leek intuïtief aan te voelen wie bereid was ver te gaan. Rietveld was zo iemand. Nieuwsgierig, gedreven en bereid om zichzelf kritisch te onderzoeken.
In die beginjaren voelde de groep vooral als een hechte vriendengroep. Er werd twee keer per week getraind, maar daar bleef het niet bij. Avonden liepen uit in gesprekken. Er werd gesurft, motorgereden en muziek gemaakt. Langzaam verdwenen andere contacten naar de achtergrond en werden de mensen uit de groep zijn belangrijkste sociale kring.
De centrale gedachte was dat een krijger zijn ego moest afbreken om werkelijk te kunnen groeien. Dat idee sprak Rietveld aan. Hij wilde zichzelf ontwikkelen en was bereid daarvoor ongemak te verdragen. Toen hij op een dag werd aangesproken op iets wat als diefstal werd bestempeld, schoot de angst door zijn lichaam. Toch reageerde hij niet met verzet.
“Misschien zit er wel iets in,” dacht hij.
Dat werd volgens hem een terugkerend patroon. Zwakke punten werden uitvergroot, fouten eindeloos geanalyseerd en negatieve eigenschappen benadrukt. Vervolgens kwam de beloning. De erkenning. De bevestiging dat hij tenminste zijn best deed. Achteraf omschrijft hij het als een voortdurend spel van afbreken en weer opbouwen.
Ondertussen woonde hij nog in Arnhem en reed hij meerdere keren per week naar Boxmeer. Voor zijn gevoel bezocht hij een school waar hij kon leren en groeien. Een plek waar antwoorden lagen op vragen die hem al jaren bezighielden. Pas veel later zou hij beseffen dat de verhouding al lang niet meer die van leerling en leraar was.
Hij dacht dat hij een school had gevonden. In werkelijkheid had de school hem gevonden.
De verleiding.
De leraar kocht samen met een kleine kern het eerste pand. Daarna volgde stap voor stap de terugtrekking uit de maatschappij. Er ontstonden eigen gemeenschapjes. Ouders, familie en vrienden van buiten kwamen steeds minder vaak over de vloer.
Het voelde als een eigen dojo. Geen muziek uit een sportschool, maar geconcentreerde zwaardtraining. Verhalen over het oude Japan. Films. Voor veel mannen voelde het als een jongensdroom die werkelijkheid werd.
“Hoe kleiner het wij, hoe meer grip,” zei Rietveld later. Buiten lag een wereld die het volgens hen niet begreep. Binnen zaten de mensen die het wél begrepen.
De leraar had een vaste partner. Volgens het verhaal binnen de groep was die relatie platonisch. Hij beschermde haar. Er was ook een ex-vrouw met twee kinderen. Soms kwamen ze langs. Rond dat verleden hing een sfeer van geheimzinnigheid die niemand goed kon plaatsen.
Op het hoogtepunt bestond de vaste kern uit ongeveer vierentwintig tot vijfentwintig mensen, grofweg evenveel mannen als vrouwen. Niet iedereen woonde samen. Nieuwe mensen stroomden binnen via de sportschool.
“Wil je kungfu doen?” Zo eenvoudig begon het meestal.
Sommigen haakten af omdat het te zwaar werd. Wie bleef, beschikte over doorzettingsvermogen. Juist die eigenschap maakte mensen volgens Rietveld kwetsbaar. Hetzelfde gold voor empathie en offersgezindheid. Hoe meer iemand daarvan bezat, hoe groter de kans dat die bleef.
Af en toe vertrok er iemand. Eén persoon tegelijk. Voelde de leraar dat hij grip verloor, dan trok hij zich terug of stopte hij met investeren in diegene.
De groepsleden hadden geld. De leraar niet. Via een vereniging werden panden aangekocht in onder meer Kessel, Koningslust, Well en Goch. Plaatsen die allemaal binnen ongeveer een half uur rijden lagen.
De droom werd steeds groter. Eerst samenwonen. Daarna een compleet landgoed. Uiteindelijk zelfs Alaska. Dat laatste bleef een fantasie.
De mentale gevangenis.
Niemand dacht dat hij kón gaan. Sterker nog: niemand wilde gaan. Alles zat gevangen in een eindeloze loop. Jezelf verbeteren. Een moment van erkenning. Weer die dopamineshot. Volgens Rietveld werkte het mechanisme bijna als een verslaving. De buitenwereld was ondertussen een zwart gat geworden. Buitenstaanders werden weggezet als maatschappij slaven of maatschappij sletten.
Langzaam veranderde het brein in wat hij een droge spons noemt. Geen eigen gedachten meer. Nauwelijks nog een eigen identiteit. Alles draaide om aanpassen, incasseren en overleven. Wie in zo’n toestand denkt: ik pak mijn biezen en vertrek, begrijpt volgens hem niet hoe diep die overlevingsstand zit.
Veiligheid kwam alleen nog terug door een offer. Geld geven. Iets regelen. Doorzetten. Jezelf bewijzen. Even weer in de gunst komen van de leraar. Dat werd de enige honger die overbleef. De afhankelijkheid was zo groot dat mensen van buiten volgens hem vaak niet begrijpen dat je zelf niet meer ziet wat er gebeurt.
Wie fout zat, kon daar weken in blijven hangen. Dan volgden gesprekken over krijgerskwaliteiten. Over je bek opentrekken. Een man zijn. Daarna kwam de wanhoop. En vervolgens de compensatie. Een auto regelen voor iemand. Iets kopen. Iets oplossen. Alles om weer uit de strafbank te komen en het gevoel terug te krijgen dat je iets goed had gedaan.
Soms was een frietbestelling al genoeg. Iemand mocht de bestelling ophalen en was even weg uit de benauwende sfeer. Want de spanning was permanent aanwezig. Eén verkeerde bestelling kon omslaan in een tirade: een waardeloze krijger die nog niet eens friet kan bestellen. Alles werd uitgemolken.
Na verloop van tijd ontstonden suïcidegedachten. Soms ook pogingen. Terwijl ze met elkaar samenleefden. Naar buiten toe leek het een hechte groep, wij tegen de wereld. In werkelijkheid werd iedereen tegen elkaar uitgespeeld. Echt praten was gevaarlijk. Vertrouwelijke gesprekken kwamen uiteindelijk bij de leraar terecht. Soms pas maanden later. Niets werd vergeten. Alles werd opgeslagen. Alles kon later tegen je worden gebruikt. Niemand voelde zich veilig. Iedereen stond er alleen voor.
Volgens Rietveld voel je diep van binnen wanneer iets niet klopt. Er was weerstand. Maar die weerstand had geen functie meer. Er werd doorgegaan tot iemand brak. Daarna volgde telkens hetzelfde patroon: zo zit ik nu eenmaal in elkaar, sorry, wat kan ik doen om het goed te maken? Alles om niet buiten de groep te vallen.
Want buitengesloten worden voelde als sterven. Volgens Rietveld ligt daar een oeroud mechanisme onder. In de wereld van jager-verzamelaars betekende verbanning vrijwel zeker de dood. Die angst voor uitsluiting werkt volgens hem nog altijd door, waardoor mensen vaak veel langer blijven dan ze achteraf voor mogelijk houden.
Ook zelfmoordpogingen werden volgens Rietveld steevast geïnterpreteerd als een persoonlijk falen. De oorzaak lag nooit bij de groep of de omstandigheden, maar altijd bij het individu. Soms werd een poging zelfs ervaren als een belediging. Hij vertelde over iemand die ooit met een geweer in zijn mond had gezeten. Dat die wanhoop kon ontstaan, leidde volgens hem niet tot zelfreflectie binnen de groep. De schuld bleef bij degene die eraan bezweek.
Rietveld wilde zichzelf vooral bewijzen. Terugkijkend kan hij nauwelijks bevatten waar hij allemaal toe bereid was. In de groep waren gevangenis, prostitutie of totale ondergang beelden die soms nog minder angst opriepen dan het dagelijkse leven binnen de gemeenschap.
Er waren geen LSD- of paddorituelen. Eén keer opperde de leraar dat paddo’s de oude, vastgeroeste groep misschien flexibeler konden maken. Daar bleef het bij. Toen Rietveld als nieuwkomer binnenkwam, trof hij een oudere kern. Bleke gezichten. Stille mensen. Hij dacht: het zal wel kloppen. Jaren later keek hij terug en besefte hij iets ongemakkelijks.
Ik was zelf ook zo geworden.
Volgens hem stappen mensen bijna nooit bewust uit een dergelijke groep. Meestal is er een breakdown. De batterij raakt leeg. Het wordt suïcide, een instorting of een zwart gat waar iemand langzaam in verdwijnt. Ook de ontprogrammering gaat niet in één keer. Het woord sekte gebruikte hij zelf pas weken nadat hij was vertrokken. Pas dan beginnen de lagen af te pellen.
Angst noemt hij achteraf het meest verwoestende onderdeel van het geheel. Zelfs toen het geweld zichtbaar werd, moest dat nog worden rechtgepraat. Want wie alleen het mes ziet, denkt dat dáár het echte probleem zit.
Volgens Rietveld lag de kern van het systeem al jaren eerder verborgen in de mentale gevangenis die eraan voorafging.
De macht van de leider.
Rietveld zag vrouwen aan hun haren worden rondgetrokken. Ze werden met riemen en kettingen geslagen. Een kaak werd gebroken. Zelf kreeg hij een mes op zijn keel, dat een rode streep achterliet. Een andere keer werd een riek tegen zijn borst gezet, goed voor drie of vier blauwe afdrukken.
Toch bleef het mentale geweld volgens hem veel ingrijpender dan het fysieke. Dat laatste was zichtbaar en daardoor bijna eenvoudiger te bevatten. Het mes op zijn keel maakte hem niet echt bang. Die angst zat al in de jaren ervoor, in de voortdurende spanning en onzekerheid. Tegen de tijd dat het geweld zichtbaar werd, voelde het bijna als een logisch eindpunt van iets dat veel eerder was begonnen. Dat juist het mes later door de rechter werd veroordeeld, vond hij daarom bijna wrang. Volgens hem lag de werkelijke schade elders.
Binnen de groep hadden mannen en vrouwen hun eigen rollen. De mannen regelden auto’s, huizen, financiën en uiteindelijk ook de marihuanateelt, die bedoeld was om onafhankelijk van de maatschappij te worden. Rechterhanden vielen af en werden vervangen door nieuwe. Uiteindelijk werd Rietveld zelf zo’n rechterhand. Vrouwen werden binnen de groep vaak omschreven als de meest intelligente leden, maar ook zij bleken niet in staat zich aan de greep van de leider te onttrekken. Volgens Rietveld kregen zij bovendien vaker te maken met geweld en seksueel misbruik.
Van buitenaf lijkt het vanzelfsprekend dat iemand ingrijpt wanneer een vrouw wordt geslagen. Binnen de groep werkte dat anders. De angst had het denken al overgenomen. Wie ingreep kreeg zelf problemen. Wie niets deed voelde zich schuldig. Er was altijd een reden waarom het slachtoffer zogenaamd zelf verantwoordelijk was voor wat er gebeurde. Uiteindelijk raakte iedereen gevangen in dezelfde logica.
Ook relaties werden voortdurend beïnvloed. De boodschap was dat je pas voor een ander kunt zorgen wanneer je jezelf voldoende had ontwikkeld. Verliefdheden werden daardoor vaak ontmoedigd of afgebroken. Rietveld kreeg een relatie met de vrouw die later zijn echtgenote zou worden, maar die hield slechts acht dagen stand. Daarna werd de relatie kapotgemaakt. Hij vertrok uiteindelijk uit de groep terwijl zij achterbleef. Pas nadat ook zij was vertrokken, vonden ze elkaar opnieuw terug. Terugkijkend zag hij daarin een bevestiging van iets wat hij destijds al voelde: niet zijn gevoelens waren het probleem geweest, maar de omgeving waarin die gevoelens geen kans kregen.
De groep hield zich ondertussen bezig met grootschalige marihuanateelt. Vanuit oude varkenstallen werden volgens Rietveld tonnen verdiend. Er werden leningen afgesloten voor apparatuur en investeringen, terwijl de opbrengsten door de leraar werden verdeeld. Zelf hield hij uiteindelijk slechts tweeduizend euro over, terwijl hij daar ook nog zijn eigen inbreng van moest terugbetalen. Achteraf noemt hij het zonder aarzelen een criminele organisatie.
Ondertussen verschenen nieuwe auto’s, motoren en panden. Er werd verbouwd, gekocht en geïnvesteerd. Toen alles instortte, bleef Rietveld achter met ongeveer tachtigduizend euro schuld. Anderen zaten volgens hem nog veel dieper in de problemen. Onderlinge leningen liepen door elkaar heen en waren nauwelijks nog te reconstrueren. Het geld was verdwenen.
Volgens Rietveld was de leraar uitzonderlijk goed in het lezen van mensen. Hij observeerde, spiegelde gedrag en wist precies welke zwakke plek hij moest raken. Zelfs tijdens de rechtszaak herkende hij hetzelfde patroon terug. De beschuldigingen veranderden, maar de methode bleef volgens hem identiek: iemand terugbrengen tot zijn grootste onzekerheid en die vervolgens uitvergroten.
Achteraf zag hij overal rode vlaggen. Zelfs tijdens de eerste training. De boodschap was simpel: als je dit niets vindt, dan ga je maar weg. Juist dat werkte op hem als een uitdaging. Hij wilde bewijzen dat hij het wel kon. Pas jaren later zag hij hoe effectief die benadering was geweest.
Toen de gedachte eenmaal opkwam of hij dit leven nog wel wilde, was het proces van vertrek eigenlijk al begonnen. Een middenweg bestond niet. Je bleef volledig of je vertrok volledig. Voor veel groepsleden voelde dat laatste als een sprong in het niets. Familiebanden waren verzwakt, oude vrienden verdwenen en de blik op de buitenwereld was volledig veranderd.
Toen kwam de zijspan. Toen kwam het bord op tafel. En toen verdween de laatste rest van de betovering. Niet omdat hij besloot de groep te ontmaskeren, maar omdat er eenvoudigweg niets meer over was om aan vast te houden.
De val.
De zijspan had hij zelf betaald en opgeknapt. Uiteindelijk gaf hij hem weg aan een vrouw die graag een zijspan wilde hebben. Tijdens een gesprek aan tafel werd dat tegen hem gebruikt. “Vinden jullie het niet raar dat Joris mijn motor weggeeft?” Iedereen praatte mee. In de praktijk was niets echt van jezelf. Alles draaide om de leraar.
Toen kwam het bord. Toen de plantage. Toen de beslissing: ik kom niet meer terug. Rietveld weigerde te accepteren dat er iets van hem achterbleef. Andere vertrekkers lieten motoren, fitnessapparatuur, huizen en complete inboedels achter. Hij pakte het anders aan. Onder het mom van vriendschap en het afronden van projecten begon hij stap voor stap zijn spullen weg te halen. Niet alleen zijn eigen bezittingen, maar ook spullen van eerdere vertrekkers die waren achtergebleven. Niemand hield hem tegen. De angst verdween. De grip verdween. Aanhanger na aanhanger reed hij weg.
Twee maanden later, in februari, richtte zijn aandacht zich op de touringcar. Die bus was een symbool van de groep geworden. Hij was bovendien de enige met het juiste rijbewijs. Met een kannetje diesel onder de motor zorgde hij ervoor dat er een lekkage leek te zijn. De bus moest naar de garage. Een groepslid moest zien dat hij daar stond. Vervolgens werd de touringcar ’s nachts opgehaald.
Achteraf hoorde hij van voormalige groepsleden dat iedereen zich afvroeg wat Joris nog zou gaan doen. Alle aandacht was op hem gericht. Uiteindelijk verkocht hij de bus. De papieren gingen voor duizend euro over in andere handen. Met een doorzichtig mapje onder zijn arm liep hij voor de laatste keer het terrein af. De adrenaline gierde door zijn lichaam.
Een sekte-expert vertelde hem later dat hij daarmee goud in handen had gehad. Zelf zag hij het niet als een heldendaad. Achteraf omschrijft hij het eerder als een vorm van roekeloze opstandigheid. Maar juist op dat moment brak volgens hem het mechanisme van angst. Voor het eerst werd helder dat er geen enkel spoor van hem mocht achterblijven. Alles moest weg. Tot de laatste spijker.
In april kwam het volgende kantelpunt. Eén vrouw vertelde over seksueel misbruik. Eerst aan de partner van de leraar. Daarna volgden meer verhalen. Uiteindelijk deden zes of zeven vrouwen hun verhaal. Onder begeleiding trokken ze zich terug in een huisje in de Ardennen, waar ervaringen werden gedeeld en puzzelstukken op hun plaats vielen.
Tot dat moment had Rietveld zichzelf nog kunnen voorhouden dat hij simpelweg een strenge leraar niet had aangekund.
Toen kwamen de verhalen over het seksueel misbruik.
Volgens de verklaringen van meerdere vrouwen konden vernedering, geweld en seksuele handelingen soms direct met elkaar verbonden zijn. Vrouwen die de ene dag waren geslagen, moesten het de volgende dag weer goedmaken. Voor veel voormalige groepsleden viel daarmee het laatste restje rechtvaardiging weg.
Jarenlang was hun geleerd dat verlangens, verliefdheden en relaties een valkuil vormden op het pad van persoonlijke ontwikkeling. Verliefdheden werden ontmoedigd, relaties afgebroken en seksuele verlangens voorgesteld als iets waar een krijger zich boven moest verheffen. Juist daarom sloegen de onthullingen zo hard in.
Volgens Rietveld ontdekten veel groepsleden dat degene die jarenlang de morele maatstaf had bepaald, zich zelf niet aan die regels hield. Daarmee stortte het fundament onder het hele systeem in. Wat jarenlang was verkocht als discipline, wijsheid en ontwikkeling bleek voor velen iets heel anders te zijn geweest.
De groep liep leeg. De school viel uiteen. Wat jarenlang onaantastbaar had geleken, verdween in korte tijd.
Daarna volgden de aangiftes.
En begon een nieuwe strijd: die met een rechtssysteem waarvan Rietveld zegt dat het nauwelijks is ingericht op slachtoffers van langdurige psychologische manipulatie, afhankelijkheidsrelaties en misbruik binnen gesloten groepen.
De nasleep.
De rechtszaak werd jarenlang gevoed door een combinatie van woede, frustratie en de behoefte om gehoord te worden. Veel voormalige groepsleden hielden zich afzijdig. Sommigen uit angst, anderen omdat ze het verleden liever achter zich wilden laten. Er waren ook mensen die het hem kwalijk namen dat hij er publiekelijk over bleef spreken. Namen noemt hij niet.
Rietveld stapte naar de burgemeester van Panningen met een duidelijke boodschap: dit was geen verzameling losse incidenten, maar één verhaal. Een sekte. Een leider. Een systeem. Geen op zichzelf staand misdrijf. Daarna volgde een gesprek van viereneenhalf uur met een wijkagent. Vrouwen die aangifte wilden doen van seksueel misbruik werden doorverwezen naar een ander loket in Roermond. Rietveld deed zijn aangifte in september, terwijl sommige vrouwen pas maanden later aan de beurt waren.
Daarna volgde een lange periode van stilte.
Veel bewijslast moest hij zelf verzamelen en terughalen. Het proces vrat energie. Zijn bloeddruk bleef jarenlang te hoog. De doorbraak kwam volgens hem pas toen de media belangstelling begonnen te tonen. Eerst volgde een verkennend gesprek met een redacteur van de Volkskrant, later kwam Simone Elveld erbij en verschenen podcasts en andere publicaties. Media begonnen andere media te citeren en het verhaal kreeg steeds meer aandacht. Of justitie daardoor daadwerkelijk in beweging kwam, kan hij niet bewijzen. Zelf vermoedt hij van wel, al zal niemand dat volgens hem ooit erkennen.
Vrijwel alles moest hij zelf organiseren. Bezwaarschriften, gesprekken met advocaten en het verzamelen van documenten. Ook van Slachtofferhulp kreeg hij naar eigen zeggen geen eenduidige begeleiding. Afspraken werden gemaakt, data beloofd, maar vaak moest hij er zelf achteraan. De eerste zitting vond rond 2021 plaats, ongeveer drie jaar nadat de eerste stappen waren gezet. In eerste instantie werd een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd voor onder meer het mes, de riek en de mishandelingen. Seksueel misbruik maakte geen onderdeel uit van die zaak. Dat voelde voor veel betrokkenen als een nieuwe teleurstelling. Bij sommige slachtoffers leefde het gevoel dat hun ervaringen onvoldoende serieus werden genomen.
Daarna volgde het hoger beroep. Jaren gingen voorbij. De zaak werd meerdere keren uitgesteld. Voor Rietveld voelde het als traineren. Een rechtsstaat, zei hij later, is niet hetzelfde als rechtvaardigheid. Uiteindelijk bleef een gevangenisstraf van 24 maanden over.
Wat hem het meest hielp, was niet de strafmaat maar het feit dat de advocaat-generaal hun verhaal geloofde. Dat voelde als erkenning. Hun advocaat omschreef de zaak als te bizar om te verzinnen.
Ook daarna bleef de juridische strijd doorgaan. Er kwam een artikel 12-procedure en cassatieverzoeken werden afgewezen. Sommige momenten staan nog altijd in zijn geheugen gegrift. Zoals een rechter die lachend opmerkte dat iemand onschuldig is tot het tegendeel bewezen is, terwijl tegenover hem vrouwen zaten die aangifte hadden gedaan van seksueel misbruik. Juridisch correct, maar voor de betrokkenen moeilijk te verdragen.
De slachtoffers zouden worden geïnformeerd wanneer de leider vrijkwam. Uiteindelijk gingen er geruchten rond dat dit mogelijk al in juni of juli gebeurde via een voorwaardelijke invrijheidstelling. Een officiële melding kwam volgens hem nooit. Het is goed mogelijk, zegt hij, dat hij alweer rondloopt zonder dat alle betrokkenen dat weten.
Financieel wist Rietveld zich uiteindelijk los te maken. Een pand in het Duitse Goch kon worden verkocht tegen de resterende hypotheekschuld. Daarmee was hij vrij. Anderen hadden dat geluk niet en bleven achter met schulden en verplichtingen. In hetzelfde pand werd later een verslavingskliniek gevestigd. Volgens Rietveld keerde het bestuur zichzelf aanzienlijke bedragen uit, terwijl de exploitatie nauwelijks rendabel was. Ook dat zorgde voor frustratie bij voormalige groepsleden.
Dat hij zelf relatief goed wegkwam, werd hem niet altijd in dank afgenomen. De jaren daarna stonden in het teken van verwerking. Hij schreef een boek, volgde opleidingen in systemisch werk, coaching en begeleiding en begon een eigen praktijk. Ook zette hij zich in voor anderen, onder meer via een crowdfundingactie voor iemand die door de toeslagenaffaire in de problemen was geraakt.
Toch bleef de ervaring hem bezighouden. Hij ontdekte hoe dun de scheidslijn soms is tussen slachtoffer en dader. Hoe mensen elkaar onbedoeld beschadigen. Hoe compensatie, schuldgevoel en overlevingsmechanismen jarenlang kunnen doorwerken.
Volgens hem verdwijnt de programmering nooit in één keer. Taalgebruik blijft soms hangen. Denkpatronen ook. Sommige voormalige groepsleden houden vast aan het oude verhaal. Daar oordeelt hij niet over. Iedereen verwerkt zo’n ervaring op zijn eigen manier.
Ook de triggers zijn niet verdwenen. Niet geloofd worden blijft gevoelig. Soms is een klein teken van wantrouwen van een vriend al genoeg om oude patronen wakker te maken. Juist daarom probeert hij dingen onder ogen te zien. Wat je niet aankijkt, groeit volgens hem uit tot een monster. En wie zijn eigen pijn niet begrijpt, loopt het risico die uiteindelijk op anderen af te reageren.
Vrijheid, zegt hij nu, begint niet bij jezelf maar bij de ander. Pas wanneer je iemand anders vrij kunt laten, begrijp je wat vrijheid werkelijk betekent.
Het boek is af. De rechtszaak is afgerond. Het proces duurde acht à negen jaar. Nu zat hij aan tafel bij Jorn Luca. En trok hij de lijn door van een kungfuschool in Boxmeer naar een veel grotere vraag: hoe herkennen mensen de systemen die hun vrijheid langzaam beperken, terwijl ze denken dat ze juist vrijer worden?
De bredere betekenis.
Toen de coronaperiode begon, herkende Rietveld patronen die hem deden denken aan zijn tijd binnen de groep. Niet omdat hij het virus ontkende of omdat hij dacht dat alles hetzelfde was, maar omdat hij opnieuw mechanismen zag die hij eerder had meegemaakt: angst, groepsdruk, offers brengen voor een groter doel en het ontstaan van een scherpe scheidslijn tussen mensen die erbij horen en mensen die erbuiten vallen.
Zelf deed hij aanvankelijk gewoon mee. Handschoenen bij de pinautomaat. Voorzichtigheid. Maar gaandeweg begon iets te knagen. Samen met zijn vrouw sprak hij vaak over dat gevoel. Volgens hem herkenden ze dezelfde onderstroom die hij jaren eerder had leren kennen.
In The Trueman Show verwoordde hij het scherp: “Iedereen zit in een sekte.” Daarmee bedoelde hij niet dat iedereen lid is van een religieuze groep of onder invloed staat van een goeroe. Zijn punt was dat ieder mens wordt gevormd door de omgeving waarin hij opgroeit. Door familie, school, cultuur, media, vrienden, werkgevers en tegenwoordig ook algoritmes. Wat vanzelfsprekend lijkt, is vaak niet meer dan het wereldbeeld dat iemand heeft meegekregen.
Volgens Rietveld bestaan er in Nederland honderden sektarische of dwingende groepen. In de Verenigde Staten zijn dat er duizenden. Maar ook buiten zulke groepen ziet hij dezelfde menselijke mechanismen terug. In families. Op de werkvloer. Binnen organisaties. Overal waar mensen erbij willen horen en bang zijn om buitengesloten te worden.
Want dat is volgens hem de constante factor: mensen willen onderdeel zijn van een groep. Die behoefte is oeroud. Duizenden jaren lang betekende verbanning uit de groep vrijwel zeker de dood. Die angst zit volgens hem nog steeds diep in ons systeem. Daarom conformeren mensen zich. Daarom spreken ze zich vaak niet uit. Daarom zoeken ze, wanneer een groep wegvalt, bijna automatisch een nieuwe groep om bij te horen.
Na zijn vertrek uit de kungfuschool trapte hij naar eigen zeggen nog meerdere keren in kleinere varianten van hetzelfde mechanisme. Niet omdat hij niets had geleerd, maar omdat niemand volledig immuun wordt voor beïnvloeding. Hooguit leer je signalen eerder herkennen.
Hij noemt het een sensor. Een gevoeligheid voor patronen die hij vroeger niet zag. Dat betekent niet dat hij dankbaar is voor wat hem is overkomen. Integendeel. Maar hij ziet wel dat de ervaring hem heeft gevormd. Ze dwong hem om zichzelf, anderen en macht op een andere manier te bekijken. Uit die zoektocht ontstonden een boek, een praktijk en uiteindelijk ook het gesprek bij The Trueman Show.
De kungfuschool verdween. De groep viel uiteen. De leider kreeg een gevangenisstraf. Maar volgens Rietveld is dat uiteindelijk niet het belangrijkste deel van het verhaal.
Het belangrijkste is hoe gemakkelijk mensen hun vrijheid kunnen inruilen zonder dat ze het merken. Niet door geweld. Niet door dwang. Maar doordat iemand hen vertelt dat gehoorzaamheid hetzelfde is als groei, dat afhankelijkheid hetzelfde is als loyaliteit en dat twijfelen een teken van zwakte is.
Tien jaar lang geloofde hij dat vrijheid lag in het volgen van een meester. Pas toen hij bijna niets van zichzelf meer over had, ontdekte hij het tegenovergestelde. Vrijheid ontstaat niet wanneer iemand anders je vertelt hoe je moet leven. Vrijheid begint op het moment dat je weer zelf durft te denken.
En misschien, zo suggereert zijn verhaal, is dat een les die veel verder reikt dan een kungfuschool in Boxmeer. Misschien is het een les die voor iedereen geldt die ooit heeft geloofd dat zijn eigen gedachten volledig van hemzelf waren.■
