De doodscultus achter ons beleid?

Symbolische HD-collage over abortus, euthanasie, medische ethiek, politieke macht, censuur, onderwijs, surveillance en de toekomst van Nederland. Een weegschaal tussen ongeboren leven en dood staat centraal, met op de achtergrond de Tweede Kamer, media-invloed, controlemechanismen en maatschappelijke verandering.

Gideon van Meijeren over leven, macht en de richting van Nederland.

Op een dag in de Tweede Kamer verandert een klein voorwerp een regulier debat in een rel. Gideon van Meijeren staat achter het spreekgestoelte. Voor zich heeft hij geen stapel amendementen, geen grafiek en geen dossiermap, maar een anatomisch model: een foetus van tweeëntwintig weken, op ware grootte. Wanneer hij het model toont ter illustratie van zijn betoog, wordt het debat stilgelegd. De camera’s gaan uit en het model verdwijnt uit beeld. Volgens Van Meijeren zegt dat korte moment meer over het Nederlandse debat dan uren aan politieke woordenwisselingen.

Officieel werd verwezen naar de Kamerregels, die het tonen van voorwerpen tijdens debatten beperken. Maar volgens Van Meijeren ging het niet werkelijk om de regels. In zijn ogen ging het om wat zichtbaar werd. Zolang abortus wordt besproken in termen als ‘zelfbeschikkingsrecht’, ‘abortuszorg’ of ‘klompjes cellen’, blijft het onderwerp abstract. Zodra er een tastbare representatie van een ongeboren kind op tafel ligt, verandert volgens hem de toon van het gesprek.

Dat moment vormt de opmaat voor een uitgebreid gesprek in The Trueman Show. Wat begint als een discussie over abortus, ontwikkelt zich gaandeweg tot een bredere beschouwing over de manier waarop Nederland omgaat met leven, dood, gezin, onderwijs, medische ethiek en politieke macht. Volgens Van Meijeren zijn dat geen losse dossiers, maar onderdelen van dezelfde maatschappelijke ontwikkeling.

Van staatsrecht naar medische ethiek.

Hoewel Van Meijeren vaak spreekt over abortus, euthanasie en embryo-onderzoek, benadrukt hij dat hij geen arts of bio-ethicus is. Zijn achtergrond ligt in het staatsrecht. Juist daardoor, zegt hij, kijkt hij anders naar maatschappelijke vraagstukken. Wanneer een wetsvoorstel of beleidsbrief op zijn bureau belandt, vraagt hij zich niet alleen af welke oplossing wordt voorgesteld, maar eerst of er daadwerkelijk sprake is van een probleem. Vervolgens onderzoekt hij of de voorgestelde maatregel dat probleem oplost en welke belangen ermee worden gediend.

Die manier van denken heeft hem de afgelopen jaren steeds vaker richting medisch-ethische dossiers gebracht. Abortuswetgeving, wijzigingen van de embryowet, draagmoederschap en euthanasie kwamen op zijn pad. De coronaperiode heeft die ontwikkeling volgens hem versterkt. Niet omdat het een medisch dossier was, maar omdat het hem confronteerde met de vraag hoe snel een samenleving fundamentele morele kwesties kan terugbrengen tot technische beleidsvraagstukken.

Binnen Forum voor Democratie bestaan geen strikt afgebakende portefeuilles, maar onderwerpen als vrijheid, machtsmisbruik, bescherming van kwetsbaren en de positie van ongeboren leven komen vaak bij hem terecht. Dat zijn thema’s die hem persoonlijk raken en waarvoor hij zich graag inzet, zegt hij. Tegelijk beseft hij dat juist deze onderwerpen veel emoties oproepen en het publieke debat sterk polariseren. Volgens hem is dat des te meer reden om ze zorgvuldig en inhoudelijk te bespreken.

Het abortusdebat volgens Van Meijeren.

Volgens Van Meijeren wordt het Nederlandse abortusdebat al jarenlang op een eenzijdige manier gevoerd. De nadruk ligt volgens hem vrijwel altijd op het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, terwijl de waarde van het ongeboren leven veel minder aandacht krijgt. Om die reden heeft hij zich verdiept in de praktijk achter de wetgeving: de procedures, de termijnen en de medische uitvoering van abortussen.

Hij wijst erop dat abortussen bij zwangerschappen van ongeveer tweeëntwintig weken niet meer vergelijkbaar zijn met vroege zwangerschapsafbrekingen. Volgens hem gaat het dan om een ver ontwikkeld ongeboren kind dat al herkenbare menselijke kenmerken heeft. Juist daarom vindt hij dat het publieke debat vaak te abstract blijft.

Daarnaast wijst hij op het aantal abortussen in Nederland. Volgens hem worden jaarlijks ongeveer veertigduizend zwangerschappen afgebroken en stijgt dat aantal nog steeds. Hij noemt daarbij ontwikkelingen zoals het verdwijnen van de verplichte bedenktijd en de toegankelijkheid van abortuspillen. In zijn ogen wijst dat op een maatschappelijke trend waarin abortus steeds normaler en laagdrempeliger wordt.

Wie daar kritiek op uit, krijgt volgens hem vaak geen inhoudelijke reactie. In plaats daarvan wordt de discussie verschoven naar motieven en morele kwalificaties. Die reactie herkent hij uit andere controversiële dossiers, waaronder het coronabeleid. Wanneer argumenten niet meer inhoudelijk worden besproken, ziet hij dat als een signaal dat bepaalde aspecten van de werkelijkheid liever buiten beeld blijven.

Tegelijkertijd benadrukt hij dat vrouwen die door een ongewenste of ongeplande zwangerschap in een moeilijke situatie terechtkomen, volgens hem alle mogelijke ondersteuning moeten krijgen. Zijn bezwaar richt zich niet op hulpverlening, maar op de vraag of het begrip ‘noodsituatie’ nog betekenis heeft wanneer vrijwel iedere reden voldoende wordt geacht om een zwangerschap af te breken.

De discussie over levensvatbaarheid.

Een belangrijk onderdeel van het debat draait volgens Van Meijeren om de grens van levensvatbaarheid. Officieel wordt vaak uitgegaan van vierentwintig weken zwangerschap, maar in de praktijk wordt regelmatig gerekend met tweeëntwintig weken vanwege onzekerheid over het exacte moment van conceptie.

Volgens hem laat de internationale medische praktijk zien dat sommige baby’s die vóór vierentwintig weken worden geboren toch kunnen overleven. Daardoor vindt hij de huidige grens minder vanzelfsprekend dan vaak wordt voorgesteld. Hij verwijst daarnaast naar experimenten en pilots die abortus in latere fasen van de zwangerschap op meer plaatsen mogelijk moeten maken.

Ook de terminologie stoort hem. Met name het begrip ‘abortuszorg’ roept bij hem vragen op. Hij stelt dat zorg traditioneel wordt geassocieerd met het behandelen of genezen van mensen. Wanneer een gezonde vrouw een gezonde zwangerschap laat beëindigen, vindt hij dat woordgebruik daarom misleidend. In zijn ogen verhult de taal wat er feitelijk gebeurt.

De noodsituatie die centraal zou moeten staan.

Vanaf dit punt verschuift het gesprek naar de juridische kant van de abortuswetgeving. Volgens Van Meijeren bestaat er in Nederland geen absoluut recht op abortus. Abortus blijft in beginsel strafbaar, maar is toegestaan wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van de Wet afbreking zwangerschap. Een van die voorwaarden is dat sprake moet zijn van een noodsituatie.

Juist dat begrip staat volgens hem centraal. De wet definieert niet exact wat onder een noodsituatie moet worden verstaan, maar legt wel een verantwoordelijkheid bij de arts om zich ervan te overtuigen dat aan dat criterium wordt voldaan. Daarnaast moet de arts volgens de wet informeren over mogelijke alternatieven en vormen van ondersteuning.

Van Meijeren stelt dat dit onderdeel van de wet in de praktijk nauwelijks nog een rol speelt. Redenen voor abortus worden volgens hem beperkt geregistreerd en controles op de invulling van het noodcriterium zijn schaars. Daardoor ontstaat volgens hem een situatie waarin de wettelijke uitzondering feitelijk de norm is geworden.

Hij heeft hierover meerdere malen vragen gesteld aan ministers en toezichthouders. De antwoorden beschouwt hij als ontwijkend. Tegelijk noemt hij bewustwording belangrijker dan juridische procedures. Zijn uiteindelijke doel is niet zozeer strengere wetshandhaving, maar een samenleving waarin meer mensen uit eigen overtuiging kiezen voor het voortzetten van een zwangerschap.

Volgens hem verklaart dat ook waarom het model van de foetus in de Tweede Kamer zoveel weerstand opriep. Niet omdat het een overtreding van de regels zou zijn geweest, maar omdat het de abstracte discussie ineens concreet maakte.

Wanneer de dood een oplossing wordt.

Naarmate het gesprek vordert, verschuift de aandacht van abortus naar euthanasie. Daarbij gaat het niet langer alleen over mensen die zich in de laatste fase van een ongeneeslijke ziekte bevinden, maar ook over jongeren met ernstig psychisch lijden. Juist daar ziet Van Meijeren een ontwikkeling die hem grote zorgen baart.

Hij verwijst naar gevallen waarin jonge mensen euthanasie kregen vanwege psychische problematiek. Voor hem roept dat fundamentele vragen op. Hoe kan worden vastgesteld dat iemand met een gezond lichaam geen redelijke alternatieven meer heeft? Hoe kan een arts concluderen dat de dood de enige overblijvende uitweg is? Volgens hem raakt de samenleving daarmee aan een morele grens die vroeger ondenkbaar leek.

Hoewel hij erkent dat sommige situaties uitzonderlijk complex zijn, ziet hij een bredere trend. In zijn analyse kampen steeds meer jongeren met psychische problemen die voortkomen uit maatschappelijke omstandigheden: onzekerheid over identiteit, klimaatangst, sociale ontwrichting en een gebrek aan stabiele structuren. Zijn bezwaar is dat de samenleving volgens hem te weinig aandacht heeft voor die oorzaken en zich steeds vaker richt op het beëindigen van het lijden in plaats van het wegnemen ervan.

Ook de presentator wijst op wat hij ziet als een paradox: omstandigheden die psychisch leed veroorzaken blijven bestaan, terwijl de dood steeds nadrukkelijker als mogelijke oplossing wordt besproken. Beiden erkennen dat de werkelijkheid complexer is dan zo’n samenvatting, maar zij zien wel een patroon waarin de grens van wat maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht steeds verder opschuift.

Volgens Van Meijeren gebeurt dat vrijwel altijd in dezelfde richting. Eerst worden uitzonderingen toegestaan, daarna volgt normalisering en vervolgens uitbreiding. Hij verwijst daarbij naar ontwikkelingen in landen als Canada, waar euthanasie volgens hem een steeds grotere plaats inneemt binnen de gezondheidszorg. Voor hem is dat een waarschuwing voor de richting waarin ook andere westerse landen zich kunnen ontwikkelen.

Een cultuur waarin de waarde van leven verschuift.

Dat brengt hem bij het begrip dat uiteindelijk centraal komt te staan in het gesprek: de doodscultus.
Van Meijeren gebruikt dat begrip niet om te verwijzen naar een geheime organisatie of een verborgen machtsstructuur. Hij beschrijft het als een culturele ontwikkeling. Volgens hem is er sprake van een groeiende waardering voor autonomie, maakbaarheid en individuele keuzevrijheid, terwijl de intrinsieke waarde van menselijk leven steeds minder vanzelfsprekend wordt.

Hij ziet die ontwikkeling terug in maatschappelijke discussies over abortus, euthanasie en voltooid leven. Waar vroeger de nadruk lag op bescherming van kwetsbaar leven, ligt de nadruk volgens hem steeds vaker op de mogelijkheid om leven te beëindigen wanneer het niet langer voldoet aan bepaalde verwachtingen of omstandigheden.

In zijn ogen ontstaat daardoor een samenleving waarin mensen zich kunnen gaan afvragen of hun bestaan nog voldoende waarde heeft. Niet alleen bij ziekte, maar ook bij ouderdom, afhankelijkheid of gevoelens van maatschappelijke nutteloosheid. Volgens hem verandert daarmee ongemerkt de manier waarop mensen naar zichzelf en naar anderen kijken.

Tegelijkertijd koppelt hij deze ontwikkeling aan bredere maatschappelijke veranderingen. Hij ziet verzwakking van traditionele verbanden zoals gezin, familie en gemeenschap. Mensen raken volgens hem los van vaste ankerpunten en worden daardoor afhankelijker van instituties en overheidsstructuren. Dat proces noemt hij speculatief en moeilijk bewijsbaar, maar hij ziet voldoende signalen om zich er zorgen over te maken.

De maakbare mens.

Van het beëindigen van leven verschuift het gesprek vervolgens naar het creëren van leven. Ook daar ziet Van Meijeren een fundamentele verandering.

Hij noemt de embryowet en ontwikkelingen rond voortplantingstechnologie. Wetenschappelijke vooruitgang maakt volgens hem steeds meer mogelijk: onderzoek met embryo’s, het gebruik van stamcellen, nieuwe vormen van voortplanting en technieken waarmee menselijke eigenschappen in de toekomst mogelijk beïnvloed kunnen worden.

Hoewel hij begrip zegt te hebben voor de wens van mensen om kinderen te krijgen, vraagt hij zich af welke grenzen daarbij nog gelden. Volgens hem is het uitgangspunt dat nieuw leven ontstaat uit een man en een vrouw eeuwenlang een vanzelfsprekend fundament geweest van menselijke samenlevingen. Moderne technologie maakt het mogelijk om die biologische werkelijkheid steeds verder los te koppelen van voortplanting.

Hij vreest dat dit uiteindelijk leidt tot een wereld waarin kinderen steeds meer als maakbare projecten worden gezien. Wat vandaag wordt gepresenteerd als hulp aan kinderloze stellen, kan volgens hem morgen uitgroeien tot selectie op eigenschappen, genetische voorkeuren en vormen van menselijke optimalisatie.

Volgens Van Meijeren ontbreekt daarover vaak een breed publiek debat. Veel van deze ontwikkelingen worden behandeld in technische wetsvoorstellen en complexe rapporten die slechts door een beperkte groep specialisten worden gevolgd. Daardoor ontstaat volgens hem een situatie waarin fundamentele keuzes worden gemaakt zonder dat de samenleving zich volledig bewust is van de gevolgen op lange termijn.

Subsidies, lobby’s en invloed.

Het gesprek komt vervolgens terecht bij de vraag wie zulke ontwikkelingen stimuleert. Van Meijeren benadrukt dat hij geen sluitend bewijs heeft voor een centraal aangestuurde strategie, maar ziet wel patronen waarin overheid, maatschappelijke organisaties, lobbygroepen en kennisinstellingen elkaar versterken.

Volgens hem ontstaat daardoor regelmatig een situatie waarin organisaties die met overheidsgeld worden gefinancierd vervolgens druk uitoefenen op dezelfde overheid om bepaald beleid te voeren. Hij noemt voorbeelden uit het klimaatdebat, maatschappelijke campagnes en juridische procedures tegen de overheid.

Het probleem zit volgens hem niet in lobby op zichzelf. Belangenbehartiging hoort bij een democratie. Zijn bezwaar richt zich op het gebrek aan transparantie over wie invloed uitoefent, wie beleid vormgeeft en welke financiële belangen daarbij een rol spelen.

Ook binnen de medische sector ziet hij vragen die volgens hem onvoldoende worden onderzocht. Daarbij noemt hij onder meer de financiering van abortusklinieken, onderzoek naar menselijk lichaamsmateriaal en de economische belangen achter bepaalde medische ontwikkelingen. Voor hem draait het uiteindelijk om transparantie en controleerbaarheid. Burgers moeten volgens hem kunnen weten welke belangen een rol spelen bij beleid dat zulke fundamentele ethische kwesties raakt.

De strijd om de volgende generatie.

Volgens Van Meijeren speelt het onderwijs een centrale rol in de maatschappelijke ontwikkelingen die hij beschrijft. Daar wordt volgens hem bepaald welke normen en waarden toekomstige generaties meekrijgen.

Een belangrijk thema daarbij is genderidentiteit. Hij verzet zich tegen wat hij ziet als een toenemende normalisering van medische en sociale transities op jonge leeftijd. Volgens hem zou psychologische begeleiding altijd voorop moeten staan wanneer jongeren worstelen met hun identiteit.

Hij stelt dat steeds meer scholen lesmateriaal gebruiken waarin gender en seksualiteit op een andere manier worden benaderd dan vroeger. Programma’s rond seksuele vorming, diversiteit en genderidentiteit beschouwt hij als voorbeelden van een bredere culturele verschuiving.

Volgens hem groeit tegelijkertijd het verzet onder ouders. Sommige ouders halen hun kinderen weg tijdens specifieke lesdagen of zoeken alternatieve onderwijsvormen. Die ontwikkeling ziet hij als een reactie op de overtuiging dat scholen steeds meer een opvoedende rol vervullen die vroeger primair bij gezinnen lag.

Dat brengt hem uiteindelijk bij het debat over thuisonderwijs en de rol van de staat. Volgens Van Meijeren verschuift de macht over de opvoeding van kinderen steeds verder van ouders naar overheidsinstellingen. Hij ziet dat als een fundamentele discussie over vrijheid en verantwoordelijkheid binnen een democratische samenleving.

Politiek, media en instituties.

In het laatste deel van het gesprek verschuift de aandacht naar de politieke arena zelf. Van Meijeren beschrijft de Tweede Kamer niet als een omgeving waarin politieke tegenstanders gezamenlijk naar oplossingen zoeken, maar als een arena waarin verschillende wereldbeelden met elkaar botsen.

Volgens hem bestaat er een nauwe wisselwerking tussen politiek, media, wetenschap, onderwijs en andere instituties. Hij benadrukt dat hij daarmee niet noodzakelijk bedoelt dat sprake is van directe aansturing of samenzwering. Veel vaker ziet hij gedeelde aannames, vergelijkbare belangen en dezelfde richting van denken.

Hij wijst op voorbeelden uit discussies over klimaatbeleid, stikstof, immigratie en thuisonderwijs. Volgens hem ontstaat daardoor regelmatig een situatie waarin afwijkende opvattingen moeilijk doordringen tot het publieke debat, terwijl meer gematigde kritiek wel ruimte krijgt.

Voor hem verklaart dat waarom sommige politieke partijen volgens zijn analyse wel worden gehoord en andere structureel buiten beeld blijven. De fundamentele discussie over de uitgangspunten van beleid wordt volgens hem daardoor vaak vermeden.

De bal onder water.

Aan het einde van het gesprek keert Van Meijeren terug naar een beeld dat hij vaker gebruikt. Volgens hem lijkt de huidige samenleving op een situatie waarin een bal onder water wordt gehouden. Hoe meer druk wordt uitgeoefend om bepaalde opvattingen, vragen of kritiek weg te houden, hoe groter uiteindelijk de kracht wordt waarmee die terugkomen.

Hij ziet tegelijkertijd reden tot zorg én reden tot hoop. Enerzijds ziet hij toenemende regulering, meer controlemechanismen en een groeiende bereidheid om afwijkende meningen te beperken. Anderzijds denkt hij dat maatschappelijke ontwikkelingen nooit volledig gestuurd kunnen worden.

Daarom eindigt het gesprek niet met een voorspelling, maar met een vraag. Een vraag die volgens hem achter vrijwel alle besproken onderwerpen schuilgaat: van abortus en euthanasie tot onderwijs, medische technologie en politiek.

Wat zegt het over een samenleving wanneer de waarde van menselijk leven steeds opnieuw onderwerp van onderhandeling wordt?■

Symbolische HD-collage over abortus, euthanasie, medische ethiek, politieke macht, censuur, onderwijs, surveillance en de toekomst van Nederland. Een weegschaal tussen ongeboren leven en dood staat centraal, met op de achtergrond de Tweede Kamer, media-invloed, controlemechanismen en maatschappelijke verandering.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *